Beluister de podcast op   Logo Spotify podcast   Logo Itunes podcast

Beluister de podcast op   Logo Spotify podcast   Logo Itunes podcast

Luister de podcast

maandag 4 april

Een stil gebed (3)

Nehemia vraagt niet om ontslag en evenmin om onbetaald verlof. Hij vraagt om door de koning ‘gezonden’ te worden. Hij vraagt of hij op missie mag, in naam van de machtigste vorst op aarde. 

Jezelf tot koning

Didorot, een tijdgenoot van de filosoof Kant, bad: ‘O God, ik weet niet of U bestaat, maar ik wil mij voorstellen alsof U bent, en mijn ziel beschouwt. Ik wil handelen als stond ik voor U.’ Diderot bad dus tot een denkbeeldige God. Hij wilde met deze god omgaan, alsof hij bestond. Ten diepste bid je dan niet tot God, maar tot jezelf. Dan ben je een eenling, die doet alsof er twee zijn. Eigenlijk deel je jezelf dan op in twee en praat je tegen jezelf. Een soort innerlijke tweespraak, die diep gekenmerkt wordt door ongeloof. Want als God niet zou bestaan, werd je er dan toch maar rustig van. Je bent jezelf tot koning. Dit is niet wat Nehemia doet. Hij zucht in de stilte tot God, waarvan hij álles verwacht. 

Nehemia

De wijnbekeraangever van koning Arthasasta zucht tot God, maar leeft dan ook werkelijk met Hem. Vanuit levende omgang met de Heere, klinkt zijn schietgebed in stilte omhoog. Vervolgens vertelt Nehemia aan de koning over zijn vaderland.

Over de stad die openligt, in Juda. U weet wel. Ja, dat weet Arthasasta wel, want daar was de bouw ooit stilgelegd. En niet zonder reden. Dit is dus een kritiek moment in het gesprek tussen Nehemia en de koning. 

De koning reageert betrokken. Hij heeft Nehemia graag bij zich en wil daarom weten hoe lang deze weg zou zijn, om te doen wat hij denkt dat nodig is om te doen. Naderhand zou blijken dat de afwezigheid, al of niet met onderbrekingen, twaalf jaar zou zijn.

Drie wensen

Nu blijkt Nehemia een man met praktisch talent. Hij heeft zich terdege voorbereid. Hij weet wat hij wil. Het is maar geen passief klagen, maar een actieve grondhouding. Geloof komt tot uitdrukking in verwachting. Nehemia vraagt om: 

  • Brieven; dus een vrijgeleide voor onderweg tot in Juda. 
  • Een brief voor Asaf, die over de houtvoorziening gaat, zodat hij hout krijgt voor de zoldering van de poorten en de stadsmuur. 
  • Hout voor het huis waar hij wil gaan wonen als ambtswoning. Een flinke woning want naderhand blijkt dat er velen bij hem aan tafel zitten. 

Alle drie de wensen worden door de koning ingewilligd. Maar Nehemia ziet ze niet als gaven van Arthasasta, maar als gaven van God: ‘En de koning gaf ze mij, naar de goede hand mijns Gods over mij.’ 

Hand van God

Zie je het verband tussen het ootmoedige gebed in hoofdstuk 1, de zucht tot God in hoofdstuk 2 en de voorzienende hand van God? Als de Heere Zijn hand toesluit, komt er niets. Als de Heere Zijn hand opent, dan kan alles. Hij geeft Nehemia er via de koning een militair escorte bij (2: 9). We dienen volgens de zendingspionier William Carey ‘grote dingen te verwachten van God en grote dingen te ondernemen voor God.’ 

De activiteit van God sluit de activiteit van mensen niet uit, maar in. Bid en werk. Waarbij we bidden: ‘Als het niet van U is, breek het af. Als het van U is, kom erin mee. Geef Heere, wat U vraagt.’ 

Leven vanuit Christus

Het Koninkrijk van God wordt niet gebouwd door menselijke inspanning. De Heere Zelf werft de Zijnen. Hij schenkt de gave van de Geest. De gave van de geest is onder andere ‘lankmoedigheid’, wat wil dat zeggen? Geduld oefenen. De Heere aanroepen, verwachtingsvol uitziend naar mogelijkheden die zich openen. Waarbij we tastend onze weg gaan met Hem. Dienend, waar Hij ons stelt. Met de ons geschonken gaven, levend vanuit Gods mogelijkheden. 

Nehemia was opgenomen in de heilsgeschiedenis. Het stuwde toe naar de komst van Jezus Christus, als Kind in de kribbe. Wij zijn opgenomen in de ontvouwing van de geschiedenis na Pinksteren. Het stuwt voort naar de tweede komst van Christus. Wij leven in dagen van verwachting. 

De toekomst wenkt. Onderweg moet het door beproevingen heen. De aankomst is zeker, als we in Christus zijn. De apostel Petrus wijst waar dit op uitloopt: ‘Opdat de beproeving uws geloofs, die veel kostelijker is dan van het goud, hetwelk vergaat en door het vuur beproefd wordt, bevonden worde te zijn tot lof, en eer, en heerlijkheid, in de openbaring van Jezus Christus.’ 

Luister deze blog als podcast

Lees verder over dit onderwerp

De wijnstok en de ranken (1)

Ik ben de ware wijnstok. Dit betreft de zevende ‘Ik-ben’ uitspraak van Jezus en daarmee de laatste in het Evangelie...