‘Onderwijst al de volken, hen dopende.’ Het onderwijzend element is het meest kenmerkend element van de prediking. De prediking mag appellerend zijn, een beroep doen op het geweten, ze mag bevindelijk zijn, de gangen en wegen van Gods volk beschrijven, ze mag vermanend zijn de onbekeerden, de ongeregelden, ze mag vertroostend zijn de kleinmoedigen of de bedroefden. Dat mag allemaal. Al deze dingen zullen er op hun tijd en op hun plaats zijn, maar het onderwijs is de opdracht. En dat omvat tenslotte al die dingen.’ Aldus ds. W.L. Tukker in het Gereformeerd Weekblad in 1973, over Jezus’ woorden bij het afscheid van Zijn discipelen voor de hemelvaart.
Bijbel doorpreken
‘Laat men maar de Schrift openen, de bijbel volgen, de bijbel doorpreken. Niet een bepaald soort teksten. Niet wat de mensen graag horen. Niet wat wijzelf graag preken. Maar Gods Woord, voor de voet op. Daar komt men God, Christus, de Heilige Geest en al hun werken in tegen. Dan komt men ook op alle geloofsstukken, de hele leer van de zaligheid, deze hemelse leer, de leer van de Heere. En dat voor alle volken, voor oosterse zo goed als voor westerse volken: één en allemaal hetzelfde. Waar de Heere de God van de hele aarde is, daar is ook Zijn Woord en het woord van de dienaren, een woord voor elk volk gelijk.
Doop
“Dezelve dopende in de Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes.” De doop wordt hier alleen genoemd, niet dat andere sacrament van het Avondmaal, dat sacrament tot versterking van het geloof. Niet dat dat niet van belang is. Niet dat dat bij de opdracht niet behoort. Maar het gaat hier om de stichting van de kerk in haar loop door de hele wereld. En nu is het duidelijk, dat de Doop het sacrament van de inlijving is in de gemeente van Christus.
Ze heeft dan ook in één hand gevat heel de leer van de kerk: in de drie namen van de leer van de gehele Godheid, de leer van de drie Goddelijke Personen. Dat is ons geloof, dat is het Christelijk geloof. Daarin beweegt zich alles en daarin heeft u alles. Al wat God is, openbaart Hij daarin. Al wat God doet, openbaart Hij daarin. Daarin ligt Zijn wezen. Daarin liggen Zijn werken. En in dat water ligt heel de verkondiging van het heil, op, summiere wijze: de reiniging door Jezus’ bloed en Geest; het sterven met Hem en het opstaan tot een nieuw leven.
En dat alles nu geplaatst aan de poort van de kerk. Men gaat door dit proto-evangelie in in de kerk en men gaat door deze doop in tot dit rijke en dit alomvattende evangelie. Voor volwassenen en voor kinderen. De kerk heeft beide, de volwassenen-doop èn de kinderdoop: volken — dus natuurlijk beiden.
Kinderdoop
Graag en vooral ook de kinderdoop. In de lijn van het Oude Testament ook in het Nieuwe. Besnijdenis ten achtsten dage, dus ook de doop van de kinderen. Er is geen leerstuk, dat meer de vrije genade leert dan de kinderdoop: als een kind niet naar God kan vragen, vraagt de Heere naar het kind. Hij legt er Zijn hand op. Hij legt er Zijn drieënige Naam op. Hij legt er Zijn evangelie van de wassing van de zonden op. In de vorm van een eis, in de vorm van een belofte. Dat in onderwijs voor het volk, dat onder teken en zegel.
God zal Zijn waarheid nimmer krenken, Maar eeuwig Zijn verbond gedenken; Zijn woord wordt altoos trouw volbracht, Tot in het duizendste geslacht; ’t Verbond met Abraham, Zijn vrind. Bevestigt Hij van kind tot kind.
Al wat Hij Izak heeft gezworen. Heeft Hij ook aan Zijn uitverkoren’, Aan Jacob tot een wet gesteld, Van al ’t beloofde heil verzeld; En aan gans Isrel toegezeid, Tot Zijn verbond in eeuwigheid.