1 Genade Gods! wat sterv’lingsmond
Prijst ooit U naar waardij;
Verloren was ’k, toen Gij mij vond,
Een slaaf en nu ben ’k vrij.
’k Was blind voor ’t waar en enig goed;
Gij deed Uw heil mij zien,
Deed mij, besprenkeld met Uw bloed,
Een wis verderf ontvliên.
2 Aan Jezus’ hand nu voortgeleid,
Ken ik geen vreeze meer,
Maar jubel in mijn zaligheid,
’k Zing steeds Zijn lof en eer.
De wereld toch gaat straks voorbij
Met haar begeerlijkheid,
Maar d’ erf’nis wordt bewaard voor mij
Bij God in heerlijkheid.
Ds. A. Vroegindeweij: Jezus verlaten (1)
‘Het moet ons wel diep treffen wanneer we aan het slot van het verhaal van Mattheüs over de gevangenneming van de...