Beluister de podcast op   Logo Spotify podcast   Logo Itunes podcast

Beluister de podcast op   Logo Spotify podcast   Logo Itunes podcast

Luister de podcast

donderdag 9 december

Alle roem is uitgesloten

Elke zondag worden we in Sint Annaland herinnerd aan ds. Jan Scharp. Hij voerde namelijk op 10 mei 1779 de nieuwe Psalmberijming van 1773 in. Als jonge dominee van 22 jaar begon hij zijn ambtelijke loopbaan op het eiland Tholen. Scharp dichtte liederen die we nog steeds zingen.

Scharp

Op 16 augustus 1778 werd ds. Jan Scharp in Sint Annaland bevestigd door ds. Gijsbertus Balen, van Tholen. Met de woorden van 1 Tim. 4: 16: ‘Heb acht op uzelven en op de leer; volhard daarin; want dat doende, zult gij en uzelven behouden, en die u horen.’ Zelf deed hij later die dag intrede met de woorden van 2 Kor. 6: 11-13. Dit blijkt uit het onderzoek dat drs. J. Prins deed, die de kerkgeschiedenis van de Hervormde gemeente in Sint Annaland onderzocht. Na twee jaar vertrok Scharp, naar Axel. Nadat hij voor een beroep uit Poortvliet bedankte. 

Bij zijn afscheid dichtte Scharp een gedicht, waar hij de preek mee afsloot: 

Vaarwel! Ik voel mijn boezem gloeien,

Beminlijk oord! Voor uw geluk:

Zoo moet uw heilstand eeuwig bloeien;

Dat u geen leed of kommer drukk!

Dat mild gewas uw arbeid zegen!

Zoo moet uw land met golvend graan,

Verkwikt door zon, besproeid met regen,

Als Efrata, als Eden, staan. 

Dat Godsdienst U ten siersel strekk!

De Heiland zij uw eer en roem!

Dat vroomheid u tot deugden wekk, 

En ieder ’t pad der ondeugd doem!’

Prins geeft daarbij aan dat ds. Scharp afscheid preekte met de woorden van Jer. 31: 12-14: ‘Dies (daarom) zullen zij komen, en op de hoogte van Sion juichen, en toevloeien tot des HEEREN goed, tot het koren, en tot de most, en tot de olie, en tot de jonge schapen en runderen; en hun ziel zal zijn als een gewaterde hof, en zij zullen voortaan niet meer treurig zijn. Dan zal zich de jonkvrouw verblijden in den rei, daartoe de jongelingen en ouden te samen; want Ik zal hun rouw in vrolijkheid veranderen, en zal hen troosten, en zal hen verblijden naar hun droefenis. En Ik zal de ziel der priesters met vettigheid dronken maken; en Mijn volk zal met Mijn goed verzadigd worden, spreekt de HEERE.’

Alle roem is uitgesloten

Scharp schreef op latere leeftijd dit indrukwekkende lied, dat nog steeds gezongen wordt:

Alle roem is uitgesloten,
onverdiende zaligheên
heb ik van mijn God genoten,
‘k roem in vrije gunst alleen!
Ja, eer ik nog was geboren,
eer Gods hand, die alles schiep,
iets uit niets tot aanzijn riep,
heeft zijn liefde mij verkoren:
God is liefd’, o eng’lenstem,
mensentong, verheerlijkt Hem!

Met mijn zware val bewogen,
bood Gods liefde mij de hand.
O ontfermend mededogen,
liefde boven mijn verstand!
Vijandschap was mijn bedenken,
vlees’lijk, onder ‘t kwaad verkocht,
had ik nimmer Hem gezocht,
Hij wou m’ eerst zijn liefde schenken:
God is liefd’, o eng’lenstem,
mensentong, verheerlijkt Hem!

Zo, zo lief had God de wereld,
dat Hij zijne eigen Zoon
voor die afgevallen wereld
overgaf aan smaad en hoon.
Ja, toen wij nog zondaars waren,
schonk d’ Ontfermer ons gena,
stierf zijn Zoon op Golgotha,
stierf voor ons, die zondaars waren:
God is liefd’, o eng’lenstem,
mensentong, verheerlijkt Hem!

‘k Bleef Gods roeping nog weerstreven,
maar, verzoend door Jezus’ bloed,
schonk Hij mij geloof ten leven,
en vernieuwing van gemoed.
‘k Zag mijn schuld met schaamt’ en rouwe,
‘k zag wat God m’ in Christus gaf,
‘k lei mijn snode argwaan af
en geloofd’ aan ‘s Vaders trouwe:
God is liefd’, o eng’lenstem,
mensentong, verheerlijkt Hem!

Om te sterven aan de zonden,
schenkt zijn liefde mij de Geest,
wiens vertroosting al de wonden
van mijn zondig hart geneest,
die mij ‘t waar geluk leert kennen,
mij vervult met Christuszin,
en door dank’bre wedermin
mij aan zijne dienst wil wennen:
God is liefd’, o eng’lenstem,
mensentong, verheerlijkt Hem!

Dat heet gadelooz’ ontferming,
dat genade, rijk en vrij!
God schenkt redding, schenkt bescherming,
schenkt z’ aan zondaars, schenkt z’ ook mij.
Ja, wanneer mijn onvermogen,
en mijn diep bederf mij smart,
toont mij ‘t godd’lijk Vaderhart
zijn verlossend mededogen:
God is liefd’, o eng’lenstem,
mensentong, verheerlijkt Hem!

Kan een vrouw haar kind vergeten,
als haar zuig’ling schreit van pijn?
Zou z’ een ware moeder heten,
en zo weinig moeder zijn?
Maar, al kon dit moog’lijk wezen,
Vader, Gij vergeet mij niet!
Neen, dit heb ik nooit te vrezen:
God is liefd’, o eng’lenstem,
mensentong, verheerlijkt Hem!

Zal eens ‘t graf mijn stof verzaam’len,
juichend zal in stervenspijn
‘t laatste woord, dat ik zal staam’len,
vrije gunst, genade zijn.
Ja, die zal ik eeuwig danken,
waar ‘k de Vader en de Zoon
eeuwig lofzing voor de troon,
dan herhaal ik nog die klanken:
God is liefd’, o eng’lenstem,
mensentong, verheerlijkt Hem!

Bron: Facetten uit de geschiedenis van de Hervormde gemeente te St. Annaland, drs. J. Prins, Brussel: 2002. 

Luister deze blog als podcast

Lees verder over dit onderwerp

Wachter op de muren

‘Wachter op de heilge muren, Wachter! wijkt nog niet de nacht?’ Christian Gottlob Barth (1799-1862) legde...