Beluister de podcast op   Logo Spotify podcast   Logo Itunes podcast

Beluister de podcast op   Logo Spotify podcast   Logo Itunes podcast

Luister de podcast

vrijdag 24 september

De christelijke gemeente

In hooggestemde woorden spreken de apostelen over de christelijke gemeente. Denk bijvoorbeeld aan het beeld van een bruid die voor haar man versierd is (Ef. 5: 32, 2 Kor. 11:2). Hoewel de werkelijkheid vaak barsten en scheuren toont, is volgens H. Bavinck in Christus de volmaaktheid aangebracht. Zoals tarwegraan zich verhoudt tot de verwachte vrucht. 

Korinthe 

Volgens dr. H. Bavinck spreken de apostelen niet zonder rede over de eigenschappen van de gemeente. Het gaat niet om een onhaalbaar ideaal, maar om een werkelijkheid die zij voor ogen hebben. Bavinck: ‘De plaatselijke gemeente van Korinthe wordt bijvoorbeeld door Paulus, in weerwil van haar vele dwalingen en gebreken, de tempel Gods, de woonstede van Zijn Geest, het lichaam van Christus genoemd (1 Kor. 3: 16, 12: 27). En evenzo wordt van iedere gelovige gezegd dat zijn lichaam een tempel is van de Heilige Geest en dat hij met lichaam en geest God toebehoort (1 Kor. 6: 19-20).’ Zo is er volgens Bavinck sprake van gemeenschap met Christus, als afzonderlijke gelovigen maar ook als gemeente. Daarbij is er sprake van verschil in gave en opdracht in het leven, maar dat staat de eenheid als zodanig niet in de weg. 

Verschillende gaven

De Heere maakte ieder mens anders. We komen wel overeenkomsten tegen bij anderen, maar in de praktijk blijkt dat we verschillend zijn. Aanvullend op elkaar. Bavinck: ‘Indien de gemeente inderdaad een organisme, een levend lichaam is, dan sluit dat in, dat ze vele, onderscheiden leden telt. Die elk in het geheel een eigen naam en plaats, roeping en taak, ontvangen. Waren zij allen maar één lid, waar zou het lichaam zijn? (1 Kor. 12: 19). Gelijk het lichaam één is en toch veel leden heeft, en al de leden van het ene lichaam, vele zijnde, toch één lichaam zijn; zo is het ook met de gemeente Gods gesteld (1 Kor. 12: 12). Elk lid van de gemeente ontvangt dus van God een eigen gave. Hoe bescheiden en klein die ook wezen mag. En met die gave heeft hij niet zichzelf, maar de gemeente te dienen. Iedereen moet naar de aard van de gave die hij ontvangen heeft, deze bedienen aan de broeders, zoals het passend is voor goede verzorgers van de velerlei genade Gods (1 Petr. 4: 10). Hij ontving die gave niet voor zichzelf, maar tot hetgeen oorbaar is (1 Kor. 12: 7), tot stichting van de gemeente (1 Kor. 14: 12); en om er mede zorg te dragen voor anderen, zoals dezen voor hem (1 Kor. 14: 25). 

Verschil en eenheid

Met alle verschillen blijft er volgens Bavinck sprake van eenheid in Christus. ‘Dat wil niet alleen zeggen, dat er altijd slechts één kerk geweest is, en is, en zal zijn; maar er ligt ook in opgesloten dat de ene kerk altijd en overal dezelfde is. Met dezelfde weldaden, voorrechten, goederen. Het is niet een eenheid die er van buitenaf aan toekomt, die door dwang wordt opgelegd, door een contract tot stand wordt gebracht, tijdelijk tegen een gemeenschappelijke vijand aangegaan wordt. Zelfs komt zij niet uit de sociale instincten van het religieuze leven op. Maar zij is geestelijk van aard. Zij rust, zij heeft haar grondslag en haar voorbeeld in de eenheid tussen de Vader en Christus als de Middelaar (Joh. 17: 21-23). Zij komt op uit Christus als de wijnstok, die al de ranken uit Zichzelf voortbrengt en voedt (Joh. 15: 5). Als het hoofd, uit wie het gehele lichaam zijn wasdom verkrijgt (Ef. 4: 16). En zij wordt tot stand gebracht door één Geest, met wie wij allen tot één Vader geleid worden (1 Kor. 12: 13, Ef. 2: 18, 4: 4). De liefde van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest zijn het deel van iedere gelovige en van elke plaatselijke gemeente en van de hele gemeente in haar geheel; en daarin ligt haar diepe, onverbreekbare en onvergankelijke eenheid.’ 

Hier op aarde is dit volgens Bavinck nog gebrekkig. Christus bad erom (Joh. 17: 21). Paulus sprak erover als iets dat in de toekomst volkomen tot stand komt (Ef. 4: 13). 

In alle aardse gebrokenheid mag het gebed zijn: Heere, werkt U in ons uit wat wij niet maken kunnen. Geef leven in dode ranken, schep eenheid waar verscheurdheid is; door Uw Heilige Geest. 

Bron: Magnalia Deí, dr. H. Bavinck (Kok, Kampen, 1909). 

Luister deze blog als podcast

Lees verder over dit onderwerp

Een lied bij het begin van de herfst

Bernard ter Haar (1806-1880) schreef de bekende liederen ‘Beveel gerust uw wegen’ en ‘O hoofd vol bloed en wonden.’...