Beluister de podcast op   Logo Spotify podcast   Logo Itunes podcast

Beluister de podcast op   Logo Spotify podcast   Logo Itunes podcast

Luister de podcast

vrijdag 10 juni

Dr. A. van Brummelen over bidden voor anderen

Een vogel vliegt hoog en ziet verder dan iemand die met beide benen op de grond staat. Een bidder die alleen zijn eigen levensomstandigheden bij de Heere brengt, dient aan de vogel te denken. Ons gebed krijgt een bredere vlucht. 

Oog voor krijgen

Dr. A. van Brummelen schreef in de jaren ’90 van de vorige eeuw een artikel over bidden. Hij rondde dit af met enkele opmerkingen over het bidden voor anderen. Hij waarschuwde voor egocentrisch bidden, waarbij het vooral om onszelf gaat: ’Er gaat van de oefening van het gebed een nog grotere werking uit, als wij onszelf op de achtergrond weten te schuiven en in ons bidden meer aan anderen denken. De zelfzucht komt maar al te gemakkelijk ons gebedsleven binnendringen en het ontwijden. De zuivere lucht van de gebedsgemeenschap met God wordt dan besmeurd, er dringen aardse dampen in. Wij staan dan voor Gods aangezicht alsof wij eigenlijk alleen op aarde waren en alleen zijn genade en hulp behoefden. Het is bijna niet te voorkomen, dat bij een zodanig gebedsleven het egocentrisch element gaat overheersen.’ 

Bredere wiekslag

Een vogel blikt verder dan iemand die op de grond loopt. Dit beeld had van Brummelen in gedachten bij de aandacht die hij gaf aan voorbidding. In zijn typerende, wat deftige stijl, gaf hij de volgende overwegingen mee: ‘Nee, hebben wij breder vlucht in ons gebed, er groeit ook groter kracht in de gemeenschap met de Heere. Denkt u maar eens eenvoudig met ons mee. U bidt voor uw gezin, alle leden jong en oud, met de meest onderscheiden behoeften. U brengt de nood van de kerk voor Gods aangezicht de toenemende ellende van ons volk in zedelijk opzicht. Het gaat u aan het hart wanneer u ziet, dat gehele bevolkingslagen van de Heere vervreemden. U ziet hoe het wetenschappelijk leven in school en universiteit onder de kille adem van het berekenend verstand komt. 

En dan gaat u voort met breder wiekslag. De mensheid als geheel komt voor uw blik. De overheid van het land en van het gewest. Goed kennisnemen van het publieke leven reikt als vanzelf de stof aan. Wanneer wij blind daarheen leven, bemerken wij nooit of te nimmer iets dat wij de Heere voordragen zullen. Maar gaan wij nadenkend onze levensweg aan de hand van het Woord – dan pas zien wij beter dan ooit de wereldbevolking op het doolpad, vervreemd van God. De wereldzending komt ons op het hart te liggen, de inwendige zending (evangelisatie), het leven van onze familie en het leven van onze buren. Wie beseft dan niet, dat, waar ons gebed er zovelen omvat, ons hart ruim en wijd moet worden, dat zijn ca­paciteit noodzakelijk groter zal worden en wij innerlijk zo groeien, dat wij eigenlijk helemaal niet aan onszelf denken. Het kan dan ook niet uitblijven dat wij soms iemand ontmoeten, van wie wij opeens bemerken dat hij in grote nood verkeert. Soms, terwijl wij in gesprek zijn, gaat een schietgebed voor deze persoon omhoog. 

Wereldwijd en dichtbij

De actieradius van ons gebed wordt op die manier wereldwijd, terwijl het aan de andere kant allerminst abstract is. Wij ontvangen een antenne voor velerlei nood, waaraan menigeen domweg voorbij holt. Maar worden wij op de school van het gebed leerlingen van de Heilige Geest, u verzucht soms een gebed van een voorbijganger op straat, uit wiens blik een grote nood te lezen is. Voor een kind of voor een student. Wij naderen hier tot de diepe betekenis van het bidden zonder ophouden. De vormchristen heeft van deze dingen helemaal geen verstand. De geestelijke mens begint er iets van te beseffen. De geestelijke mens heeft een geestelijke intuïtie. Hij gaat van buiten naar binnen. Hij weet uit een geheel van aanwijzingen te gissen, wat de voorbijgaande of blijvende stemmingen zijn, wat de emoties, de bedoelingen van de mensen met wie wij te doen hebben. Wij kunnen werelden opmerken uit de stembuiging; de gebaren, de blik, de houding van iemand die wij ontmoeten.

Oefening

Het spreekt geheel vanzelf, dat die voorbidding in zulk een uitgebreide zin niet van kinderen is te verwachten. Er is ook in de gebedsoefening een geleidelijke opklimming, want wij bidden óók met het verstand, al heeft het hart er het grootste aandeel in en het verstand ontwikkelt zich pas met de jaren. Voor alle gelovigen moet de tijd evenwel aanbreken, waarop zij boven zichzelf uitkomen, wij denken in dit verband aan het gebed van Abraham voor de vervloekte steden in de vlakte van Siddium, waarin ook zijn neef Lot woonde.
De aartsvader worstelde met God om het behoud van die steden te verkrijgen.
Eenzelfde breedte vertoont het gebed van Paulus, onder andere in de brief aan Efeze. De breedte gaat daar vanzelf in de diepte over, terwijl de apostel ook een helder zicht heeft op de strijd in het gebed. Wij kunnen daaruit leren, dat dit bidden en voorbidden allerminst is aangeboren. Genade kan ons er alleen toe bekwamen.

Uitwendige dwang baat hier niet en is zelfs schadelijk. Aanrading leert ons evenmin de knieën oprecht voor de Heere te buigen. Wij leren dat eerst ten volle, wanneer de Geest van Christus in ons woont. Door die Geest leren wij ook te bidden en voor te bidden in Zijn Naam. Bij dat bidden moet, naar de kracht van de uitdrukking, de naam van Jezus als de sfeer, het middelpunt, het levenselement worden aangezien, waarin de biddende ademt.

Leestip: Dr. A. van Brummelen, Waarheidsvriend 1991

Luister deze blog als podcast

Lees verder over dit onderwerp

Een morgengebed in je Psalmboek

Achterin je Psalmboek vind je de formulieren voor de bediening van de Heilige Doop en het Heilig Avondmaal. Er staan...