Beluister de podcast op   Logo Spotify podcast   Logo Itunes podcast

Beluister de podcast op   Logo Spotify podcast   Logo Itunes podcast

Luister de podcast

dinsdag 18 oktober

Dr. A. van Brummelen over het missen van de eerste liefde (1)

Als pastor ontmoette dr. A. van Brummelen (1928-1999) eens oude man die terugverlangde naar de eerste liefde. Ooit overstroomde hem de liefde, maar nu leek alles mat. Het klonk als een levensbiecht. 

Klacht 

‘Wij zaten in de stille voorkamer, waar het rumoer van de straat nauwelijks doordrong. Het was een ontroerend gesprek geworden, eigenlijk een levensbiecht. Er is een tijd geweest, dominee, dat ik vroom was. Ik wist precies hoe het moest. Iedereen schreef ik de regels voor, zelfs ook de Heere God. Daar ben ik nu grondig afgebracht. Trouwens, ik wist wel alles, maar ik had geen liefde. Het was enkel en alleen weetwijsheid. Toen de Heer mij nader onder wees, heeft Zijn liefde mij als het ware versmolten en sindsdien is dat het punt geweest waaraan ik steeds door Hem word beoordeeld. Er glinsterden tranen in de oude ogen. Weet u, zoveel jaren is het nu geleden, dat mijn leven volkomen veranderde, maar hoe ontdek ik toch nog steeds hoeveel gebrek aan liefde ik heb! Werkelijk, zei de stem voor mij, ik kan niet ontkennen dat mijn hart in alle genegenheid naar Jezus uitgaat, het is waar – maar ik moet er wel over klagen, dat ik Hem niet naar behoren liefheb. Ik heb de moed niet om mij uit mijn liefde tot Hem van Zijn liefde tot mij te verzekeren. 

Intiem 

Het bleef een tijd lang heel stil. Toen ging de man voort. Ik heb in dat jaar van verandering mij geheel voor de Heere neergelegd. O, het was zo’n  mooie tijd die tijd van de eerste liefde. Alles geurde en bloesemde. Zelfs de wereld om mij heen zag er voor mijn besef anders uit. Veelvuldig, met innerlijke vreugde van hart ging mijn hart naar de Heere uit. Er zijn tijden geweest, dat ik aan de kant van het korenveld neerknielde om de Heere te danken voor Zijn genade en hardop Hem aanriep in het gebed. Wat een plekjes kan ik u noemen in de eenzaamheid van het bos, aan het water, op de zolder waar ik gouden ogenblikken beleefde. Ik heb zelfs aan de Heere gebeden of Hij de uitgieting van Zijn liefde wat wilde verminderen, want ik kon die stroom niet dragen. Het was zo sterk, dat ik bijna werd verteerd. Het is echt waar, zo diep zocht de Heere mij op met Zijn tedere liefde. Mijn werk deed ik als in een zucht. Het was alsof ik droomde. Zo groot was de uitgieting van Gods liefde voor mij, dat ik in de werkplaats wel eens mijn armen omhoog heb geheven en heb geroepen: o Heere, hier ben ik, om U te dienen. U bent alles! Ja, het kwam in de kerk wel eens vóór, dat een enkele psalm mij in de hemel hief. Sommige godvrezende mensen uit ons dorp keken mij wel eens aan en zeiden: je hebt het zeker goed met de Heere, maar daar durfde ik nooit op te antwoorden. Eén van hen zei eens tegen mij: wat God begint, maakt Hij ook af. Dat gaf mij veel moed en vreugde. Die man sprak nooit veel, maar ondersteunde mij met een enkel woord. 

Heden 

Ja, dominee, dat was zo’n mooie tijd. Maar kunt u geloven, dat dat met mij is gebeurd? Er is nu zo’n traagheid. Ik heb mijn ogenblikken, waarop mijn hart brandt. Maar daar staan momenten, néé, dagen tegenover, waarop het mij zoveel inspanning kost om mij tot Hem te verheffen. Het komt niet eens tot een poging er toe. Dan zwerven mijn gedachten soms ver van de Heere weg. De belangen van de aarde komen dichter op mij aan dan de dienst van de Heere. Dikwijls vallen mijn gedachten op zondige dingen. Wel kan ik het in zo’n aardse sfeer niet uithouden. Er valt een gevoel van leegheid en onrust over mij, als mijn hart niet naar Jezus uitgaat, om Zijn schoonheid en lieflijkheid te zien en mij te verblijden in Zijn werken. Maar zou een mens, die zo gedurig zichzelf opwekken moet om Hem aan te hangen, wel recht hebben om te denken: ik heb Hem lief? 

Het grijze hoofd was gebogen en de dooraderde handen bleven op het tafelkleed rusten. Alleen de tik van de friese klok klonk plechtig door de ruimte heen. Toen ging het gesprek weer voort: liefde moet van het geliefde voorwerp spreken en zou ik Hem dan liefhebben, ik, die zo vaak van Hem zwijg? Uit de overvloed van het hart spreekt de mond. Ik sprak wel van Hem, maar mijn tong is niet rein. Soms spreek ik over Jezus, met de Geest beginnend, maar heel vaak eindig ik naar het vlees. Dan begin ik naar mijzelf te luisteren, onopzettelijk en onmerkbaar ga ik er toe over om mijzelf te verheffen. En dat niet alleen. Hoe vaak zwijg ik, waar ik spreken moet. En soms spreek ik om mensen te behagen zonder doorleving van wat ik spreek. Hoe zeldzaam kan ik zeggen: ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken! Kan zo één zeggen: Heere, ik heb u lief? 

Dit is deel 1, in een volgend deel geeft dr. A. van Brummelen raad naar aanleiding van deze man. Hij pleit erop dat men dieper dient te wortelen in Christus. Meer kennis opdoen over Hem. Leven met het Woord. Bron: Een goed fundament: pastorale vingerwijzingen. 

Luister deze blog als podcast

Lees verder over dit onderwerp

Die hier om Jezus’ wille verlaten

Een onbekende dichter liet ons het lied na dat de ontroerende woorden bevat: ‘Word ik dan ook gesmaad of geslagen, om...