Beluister de podcast op   Logo Spotify podcast   Logo Itunes podcast

Beluister de podcast op   Logo Spotify podcast   Logo Itunes podcast

Luister de podcast

woensdag 8 december

Dr. A. van Brummelen spreekt met een jongen over bekering

‘Wanneer u kunt ademen en spreken. Wanneer u zich kunt bewegen als een levend mens. Gaat u dan twijfelen of u echt wel leeft, omdat u niet weet wanneer dit leven in u gebracht is?’ Deze vraag stelde dr. A. van Brummelen aan hen die het moment van hun bekering niet konden aanwijzen, maar wel de vrucht ervan opmerkten. 

Verwarring

Dr. A. van Bummelen schreef eind jaren ’80 van de vorige eeuw over de verwarring die hij waarnam onder gemeenteleden ten aanzien van de bekering. Men had last van ‘wonderzucht’, zo stelde hij. Terwijl de Heere zo vaak in het geleidelijke, onopvallend werkt. Van Brummelen: ‘Een ding vergeet men evenwel meestal. Het gaat in de genade evenals in de natuur. God gebruikt in de regel gewone, minder in het oog vallende middelen om iets tot ontkieming en wasdom te brengen; alleen bij grote uitzondering kiest Hij hiertoe het wonder. Toch komt het goddelijke van Zijn werk evengoed in de gewone als in de ongewone wegen uit. Alleen er is meer geestelijk licht nodig om het goddelijke in de gewone dan in de ongewone wijze van werken te zien. Men merkt Gods hand niet zo licht in de langzame ontwikkeling van de zaadkorrel, als in de snelle groei van de wonderboom.’ 

De Bijbel laat maar weinig voorbeelden zien van acute bekeringen, volgens Van Brummelen. Hij wijst op de kentekenen die genoemd worden in het formulier van het Heilig Avondmaal. Die functioneren als een spiegel. Bij alles wat daar genoemd wordt, ontbreekt het spreken over ‘tijd en wijze’. 

Gesprek

De Huizense predikant vertelt in zijn wat deftige stijl over een ontmoeting met Aalt, een catechisant. Deze jongen zocht hem op aan het eind van de les. Er volgde een gesprekje dat indruk maakte op Van Brummelen: ‘Op zijn tere jongensgezicht stond nog de strijd te lezen. Dominee, ik bemerk geen liefde tot de Heere in mijn hart. Ik ben bezig met de eeuwige dingen uit eigenliefde. De schrik van de verdoemenis dringt mij tot zoeken, maar helemaal niet de liefde tot de eer van God en ook niet de liefde tot Christus. Ik denk dat alles wat ik heb en doe alleen maar oppervlakkig is en dat het niet voortkomt uit een bekeerd hart. 

Het was een belijdenis uit een jong hart, gegrepen door de ernst van de eeuwigheid. Nooit zullen wij dat gezicht vergeten. Lang wisten wij niet wat wij moesten antwoorden. De stilte ruiste hoorbaar in het lokaal. Zijn handen bewogen zenuwachtig heen en weer. En — zo neep er uit zijn keel — ik weet ook niet van een tijdstip van een bekering. 

Ten lange leste schoten ons de woorden van Brakel te binnen. De bekering geschiedt zelden zo klaarblijkelijk, maar het gaat daarmee geleidelijk, als met het opgaan der zon, zodat men alleen enige tijd daarna zien kan dat men veranderd is. Weinigen weten de tijd van hun bekering. Sommigen waren al overgegaan voor die tijd, die zij de tijd van hun eerste bekering achten. In anderen waren het maar voorbereidende werkingen, ze zijn lang daarna eerst bekeerd. 

Nog steeds stond hij voor ons. En wat nu die eigenliefde betreft. Aalt, als het zelfs door eigenliefde begint, dan behoeft de bekering zelfs niet verkeerd te zijn. Eigenliefde is hier een grote deugd. Het is het eerste begin van bijna alle bekeerden. En wanneer je door angst bent geraakt, het is precies hetzelfde of de melaatsheid van Naaman of de blindheid van Bartimeüs of de nieuwsgie­righeid van Zacheüs of de vrees van de stokbewaarder het eerste begin is geweest om ze tot Christus te leiden. Hoe ze kwamen doet er niet toe, het gaat erom dat ze kwamen. 

Een blonde haarlok viel over zijn voorhoofd. Ietwat gebogen nam hij afscheid. Even later hoorden wij zijn brommer aanslaan. Langzaam verdween het geluid in de verte.’ 

Leestip: Waarheidsvriend, 1988, dr. A. van Brummelen. 

Luister deze blog als podcast

Lees verder over dit onderwerp

Wachter op de muren

‘Wachter op de heilge muren, Wachter! wijkt nog niet de nacht?’ Christian Gottlob Barth (1799-1862) legde...