Beluister de podcast op   Logo Spotify podcast   Logo Itunes podcast

Beluister de podcast op   Logo Spotify podcast   Logo Itunes podcast

Luister de podcast

donderdag 15 december

Ds. J.J. Poort: De Heere Mijn Herder

In een meditatie over het eerste vers van Psalm 23 verwondert ds. J.J. Poort (1928-1997) zich over het afdalen van de Heere naar mensen. God is afgedaald, ‘wil mij ten Herder wezen.’ 

Verwondering

Volgens ds. J.J. Poort spreekt de dichter van Psalm 23 allereerst tot zichzelf, als hij zegt: De God des heils wil mij ten Herder wezen. ‘Tot wie richt de psalmist zich? Toe wie spreekt hij dit woord, deze belijdenis? Niet tot God. Tot Hem begint hij pas te spreken in vers 2: “Hij blijft mij bij in alle tegenspoeden…” Ook niet tot mensen. Dat blijkt namelijk nergens, zelfs in geen van alle drie de verzen. Althans, niet rechtstreeks. Wel vangen zij, zoals ook wij, zijn woorden van geloofstaal op. Maar hij richt zich uitsluitend tot zichzelf! In verwondering, in dankbaarheid, als ware ’t om de gevoelens, de bevindingen van het eigen hart te ordenen, gestalte te geven in klank, in woord, om het evaren heil te bevestigen uit eigen mond aan eigen oor. Dat is wonderlijk. Maar niet uitzonderlijk. Vaker doen psalmisten zo. Zij hebben dat, in hun eenzaamheid blijkbaar nodig. “Merk op mijn ziel, wat antwoord God u geeft,” zo wekt er een zichzelf op en een ander spoort zichzelf met deze woorden aan: “En gij, mijn ziel, loof gij Hem bovenal!” Zo ook in onze Psalm. De dichter buigt zich over zijn eigen ziel en fluistert, zingt zichzelf toe met woorden van heil, balsemt zijn verwonde en geschonden en beangste leven met olie en wijn van genade: “De God des heils wil mij ten herder wezen.” 

In deze woorden trilt, vibreert een zeker drievoudige verwondering mee. In de eerste plaats is dat de verbazing over de onmetelijke afstand tussen God en hem, die nu zo plotseling overbrugd, verbonden blijkt. God is immers niet onzichtbaar, onervaarbaar, ver weg, maar “ten Herder”, bij hem, vlakbij op zijn levenspad. “U blijft mij bij”, zingt hij straks, in stille verrukking. De diepe val van de mens, van God af, naar de “duist’re dalen”, naar ‘t “doodsgevaar”, is niet het einde, niet fataal. God is afgedaald, “wil mij ten Herder wezen.” 

Bethlehem

En dat is dan meteen ook de tweede reden van verwondering: de afstand tussen God en de zondaar is en wordt niet opgeheven door de mens die zoekend opklimt tot God, maar enkel door de genadige God die afdaalt, in een volstrekt eenzijdig werk, tot die mens, hem na-valt, tot in Bethlehems stal, bij-val bewijst in de zoekende en vindende en reddende Christus, de goede Herder, en nooit tegen-valt, nooit van hem, verlorene af-valt. Dezelfde diepe zielsverwondering trilt hier, beeft hier, als bij Johannes de Doper, als die, ziende op de komende Christus stamelt: “Komt U tot mij?” Waaròm? Wat ziet U in mij? 

En dat is de derde reden tot verwondering: “Om Zijn Naam”, zegt de dichter. Niet om mij, om mijn naam. Niet omdat Hij iets in mij ziet, deugd, of grond tot medelijden ziet. Maar het hooghouden van Eigen Naam is grondslag, drijfveer om mij te zoeken, mij ten Herders zelfs te willen wezen. Sterk is dat, een sterke grondslag, ver buiten mijzelf. Heil of onheil, gezocht of verlaten worden, dat is niet verankerd in mijn wisselvallig leven, mijn drijfzand, mijn eb en vloed, maar gegrond op de vaste rots van mijn behoud, buiten mijzelf, zoals Jozef in Egypte het de farao reeds bezwoer: “Het is buiten mij!” Niet ik wil hem tot schaap wezen; maar andersom: Hij wil mij ten Herder wezen. 

Zalig

Maar hoezeer Hij ’t ook wil “om Zijn Naam”, mijn naam en mijn leven worden erdoor gered. Want onmiddellijk voegt de psalmist er aan toe wat die liefderijke, Goddelijke wil dan uitwerkt: “’k Heb geen gebrek, ‘k heb geen gevaar te vrezen”. Heerlijk! God werkt zich Zijn eer uit, sticht Zijn Naam, verheerlijkt zich, maar niet buiten, niet zonder, maar áán Zijn volk. Hij schept zich, zoals Hij altijd Schepper blijft, roem, en put die uit het heilrijk werk aan Zijn gevallen volk. Dóór het “ten Herder” te willen wezen, daardoor creëert Hij zich Zijn Herdersnaam! 

Door ’t gevaar, ’t gevaar van straf en oordeel Zelf in te gaan, te dragen tot het einde toe op Golgotha’s kruis. Door ’t gebrek ook te vervullen, in hart en leven, in volk en Kerk, met Zijn Woord, Zijn Geest, Zijn doop en avondmaal, Zijn volk en staf, ja met Zichzelf. “Ik zal dit huis met heerlijkheid vervullen”, lezen wij bij de profeet. En daar heeft de psalmist weet van, kennis aan. “Het zalig goed, mij door Uw hand gegeven, verlaat mij niet, maar volgt mij al mijn leven.” Ja, hij weet wat hij zegt, als hij zich richt, buigt, tot zichzelf en daarin tot ons, als hij het heilsgeheim fluistert: “De God des heils wil mij ten Herder wezen…’ 

Meer lezen van ds. J.J. Poort? Zie ‘Prijst Hem in uw psalmen’, uitgave van De Banier, Utrecht, 1973. 

Luister deze blog als podcast

Lees verder over dit onderwerp

Gebed door en voor een predikant

Dat het gebed de bediening van een prediker draagt, blijkt steeds weer in de geschiedenis. Velen getuigen over de...