Beluister de podcast op   Logo Spotify podcast   Logo Itunes podcast

Beluister de podcast op   Logo Spotify podcast   Logo Itunes podcast

Luister de podcast

woensdag 4 mei

Eens was ik een vreemdeling

Ouder dan 29 jaar werd Robert Murray MacCheyne niet. Zijn leven droeg echter veel vrucht, in de negentiende eeuw maar ook vandaag. In een lied drukte hij zijn zoektocht naar God in woorden uit. Velen herkennen zich daarin: ‘Eens was ik een vreemdeling, voor God en mijn hart.’ 

Ziekte

Als jong predikant werd Robert ernstig ziek. Hij besefte niet dat dit zijn einde zou worden. Hij dacht op dat moment dat de ziekteperiode een tijd van bezinning vormde. Het werd echter zijn einde. In een brief aan een vriend schreef hij het volgende: ‘Ik hoop, dat deze ziekte aan mijn ziel gezegend zal worden. Altijd gevoel ik de slaande hand van God dringend nodig te hebben. In de maalstroom van het leven is er zo weinig tijd tot waken. Tot het betreuren van onze zonden en het zoeken van genade. Tot het strijden tegen zonde die in mijn evangeliebediening aankleven. 

Ik voel dat het een grote zegen is als de Heere mij uit de schare verwijdert. Net zoals hij de blinde buiten de stad uitleidt en daar de sluier wegneemt en de nevels opklaart die het licht voor onze ogen verduisteren; en door Zijn Woord en Geest mij leidt tot een zalige vredige wandel. Niets is zo geschikt om ons de nietigheid van alle eer bij de mensen te doen voelen, om ons Christus, Die de beproefde Steen genoemd wordt, in al Zijn dierbaarheid te leren kennen, als een kalme blik in de eeuwigheid.’ Op 25 maart 1839 stierf Robert. Zijn uitzien werd toen zien. 

Eens was ik een vreemdeling

Eens was ik een vreemd’ling voor God en mijn hart. 
Ik kende geen schuld en ‘k gevoelde geen smart.
Ik vroeg niet: “Mijn ziele, doorziet gij uw lot?
Hoe zult gij rechtvaardig verschijnen voor God?” 
 
Al sprak daar een stem uit de heilige blaân
van ‘t Lam, met de zonden der wereld belaân,
ik zocht bij de kruispaal geen veilige wijk,
‘k stond blind en van verre, in mij zelven zo rijk. 
 
Ik deed als Jeruzalems dochters weleer,
ik weend’ om de pijn van mijn lijdende Heer,
maar dacht er niet aan, dat ik zelf door mijn schuld 
Zijn kroon had gevlochten, Zijn beker gevuld. 
 
Maar toen mij God Geest aan mij zelf had ontdekt, 
toen werd in mijn ziele de vreze gewekt.
Toen voeld’ ik wat eisen Gods heiligheid deed. 
Daar werd al mijn deugd een wegwerpelijk kleed. 
 
Toen vlucht’ ik tot Jezus. Hij heeft mij gered!
Hij heeft mij verlost van het vonnis der wet!
Mijn heil en mijn vreugd’ en mijn leven werd Hij. 
Ik boog m’, en geloofd’, en mijn God sprak mij vrij! 
 
Nu ken ik die waarheid, zo diep als gewis, 
dat Christus alleen mijn gerechtigheid is. 
Nu tart ik de dood, nu verwin ik het graf. 
Nu neemt mij geen satan de zegekroon af. 
 
Nu reis ik getroost onder ‘t heiligend kruis
naar ‘t erfgoed hierboven, naar ‘t Vaderlijk huis. 
Mijn Jezus geleidt mij door d’ aardse woestijn. 
“Gestorven voor mij!” zal mijn zwanenzang zijn. 
 

Luister deze blog als podcast

Lees verder over dit onderwerp

Wachter op de muren

‘Wachter op de heilge muren, Wachter! wijkt nog niet de nacht?’ Christian Gottlob Barth (1799-1862) legde...