Beluister de podcast op   Logo Spotify podcast   Logo Itunes podcast

Beluister de podcast op   Logo Spotify podcast   Logo Itunes podcast

Luister de podcast

donderdag 25 februari

Pastoraat reikt verder dan hen die daarom vragen

Verschillende theologen uit de geschiedenis hielden zich bezig met de ‘persoon van de pastor’. Bijvoorbeeld Christian David Friedrich Palmer (1811-1877). Nadrukkelijk pleit hij voor herderlijk pastoraat.

Nabij

De pastor heeft geen deeltijdbediening waarbij hij mensen ontvangt die hem persoonlijk aanspreken. Een predikant dient volgens de negentiende eeuwse theoloog Palmer de ander en daarmee Christus: ‘De predikant bedenke steeds dat hij niet enkel en in de eerste plaats beambte is met dit en dat recht; maar dat hij ook de zielverzorger, dus de vriend en broeder van allen is.’ Dit betekent dat zijn deur voor hen open staat: ‘Allen is zonder onderscheid de toegang tot de pastor opengesteld en allen hebben een doorlopende uitnodiging om bij hem hulp, troost, raad te komen vragen en ontvangen.’

Palmer stelt dat voorgangers op pad moeten: ‘Die des leraars raad ’t meest behoeven, zullen het minst tot hem komen, daarom moet deze tot hen gaan.’

Het persoonlijke bezoek van de pastor doet hij niet alleen als voorganger, maar ook namens de gemeente. Palmer: ‘De zieke kan niet meer aan de gemeenschapsoefening deelnemen, daarom komt de gemeente in de persoon van haar vertegenwoordigers tot hem en bewijst door dat bezoeken en haar voorbeden, dat hij nog als een lid toebehoort en dat zij zijn lijden als het lijden van een medelid ook gevoelt en met hem draagt.’

Ernst

Aan het ziekbed leert men volgens Palmer ‘de ernst van het leven en de dood, de smart van het lichaam en de ziel kennen.’ Hij stelt dat dit een sterkere uitwerking op de pastor heeft dan een begrafenis: ‘Het graf duldt steeds nog enige praal, het ziekbed niet. Daar leert men ook het menselijk hart, de grove en fijnere vormen, waaronder de ziel zich voordoet, beter kennen, dan ze ooit in een leerstellig of zedekundig handboek kunnen getekend worden. (…) Nergens ook wordt zo ons oog geopend voor geloofs- en gebedskracht; men ziet welk een macht er schuilen kan in de eenvoudigste spreuk waarvan men de zin reeds lang meende uitgeput te hebben. Dat alles is winst voor de prediking, de catechese, maar het meest nog voor des leraars eigen hart.’

Grondhouding

Palmers’ aanzetten voor de pastorale praktijk zijn niet enkel gericht op de activiteit maar ook op de houding van de pastor. Kenmerkend voor zijn opvattingen is een citaat dat hij aanhaalt van Carl Heinrich Rieger. Deze had de gewoonte om als hij zijn jas aantrok om zijn zieken te gaan bezoeken, bij zichzelf de spreuk op te zeggen: ‘Zo doe nu aan als Gods uitverkorene, hartelijk erbarmen, minzaamheid, ootmoed, zachtmoedigheid en geduld.’

Gebed

Het gebed van de pastor dient volgens Palmer niet alleen de persoonlijke omgang met God, maar het staat tevens in het teken van voorbidding voor de gemeente: ‘Daar is maar één weg waarop de Evangeliedienaar, zoals trouwens iedere christen, ook omtrent de verst verwijderde en meest weerspannige, de reddende en zorgende liefde in beoefening kan brengen; dat is de voorbede, het gebed.’ 

De pastor is de gemeente herderlijk nabij, zowel in zijn rondgang langs de schapen als in het gebed voor de schapen. Juist zij die ver van de pastor verwijderd raakten, zijn hem in het gebed hartelijk nabij. Biddend brengt hij hun nood bij de Heere. Hij bidt voor hen die daarom vragen, maar niet minder voor hen die dit allerminst nodig achten. Om behoud. 

Leestip: Pastoraal Theologie, C.D.F. Palmer, 1866  (Kemink en Zoon, Utrecht)

Luister deze blog als podcast

Lees verder over dit onderwerp

Wachter op de muren

‘Wachter op de heilge muren, Wachter! wijkt nog niet de nacht?’ Christian Gottlob Barth (1799-1862) legde...