Beluister de podcast op   Logo Spotify podcast   Logo Itunes podcast

Beluister de podcast op   Logo Spotify podcast   Logo Itunes podcast

Luister de podcast

maandag 12 april

Als een kind

Verontwaardigt reageert Jezus op het handelen van de discipelen. Terwijl ouders hun kinderen naar Hem brengen, houden zij hen tegen. Zij zien mensen naderen met een verzoek aan Jezus en maken een inschatting van het belang daarvan voor de grote zaken waarmee hun Meester zich bezighoudt. Hun oordeel is unaniem. Kleine kinderen hebben geen prioriteit. 

Belangrijker

Hun Meester heeft volgens de discipelen belangrijker zaken aan het hoofd. Hij moet immers de komst van het koninkrijk preken, zoals we aan het begin van dit Bijbelboek lezen in Mark. 1: 14-15: ‘En nadat Johannes was overgeleverd, ging Jezus naar Galilea om het evangelie Gods te prediken. En Hij zeide: De tijd is vervuld en het koninkrijk Gods is nabijgekomen. Bekeert u en gelooft het evangelie.’ 

Zegen

Niet zonder reden namen deze ouders echter hun kleine kinderen op de arm, om hen naar de Heere Jezus te dragen. Er waren veel rabbi’s waar ze de kinderen heen konden brengen, maar ze kwamen speciaal voor Jezus. Zijn zegen, daar waren hun kinderen om verlegen. Het geloof ziet in de Rabbi van Nazareth Wie Hij werkelijk is. De Zoon van God. De Koning van het Koninkrijk. Ze komen tot Hem. Niet met handen vol geschenken, maar met hun kleine kinderen op de arm. Om een zegen, voor tijd en eeuwigheid. 

Jezus bevestigt de ouders in hun verwachting: ‘Laat de kinderen tot Mij komen en verhinder hen niet; want derzulken is het Koninkrijk Gods.’ (Mark 10: 14). Wat een aansporing! Staand bij de wieg, knielend voor ons bed, mogen we onze kinderen bij Christus brengen. Zondige, onreine, verloren zoons en dochters. Maar om Christus’ wil mogen we hen dragen tot aan Zijn voeten. Ook als je ze niet meer dragen kunt, maar enkel het bidden overblijft.  

Koninkrijk

Hoewel we deze geschiedenis kennen als een aanmoediging om met onze kinderen naar de Heere Jezus te gaan, wordt hier nog iets duidelijk. Dat toont de Zaligmaker in vers 15: ‘Voorwaar zeg Ik u: Zo wie het Koninkrijk Gods niet ontvangt gelijk een kindeke, die zal in hetzelve geenszins ingaan.’ 

De discipelen verwachtten een koninkrijk dat zich breed zou maken in deze wereld. Ze waren blind en doof, voor het geestelijk koninkrijk dat Christus voor ogen stond en waarover Hij sprak. Zij wilden een aards koninkrijk. Daar moest alles voor wijken. Zeker de kinderen, want in een aards koninkrijk hadden kinderen op dat moment in het geheel geen status. Van de ‘rechten van het kind’ had nog niemand ooit gehoord. Deze discipelen moeten echter leren inzien dat Jezus’ Koninkrijk niet van deze wereld is. 

In de evangeliën spreekt Jezus geregeld over het ‘Koninkrijk Gods’. Jezus is de Koning van hemel en aarde; daarmee dus ook van het Koninkrijk dat nu reeds ontluikend aanwezig is. Reeds en nog niet. In de gestalte van het mosterdzaad. Een geestelijk koninkrijk. Zoals Jezus later aan Pilatus duidelijk maakt: mijn Koninkrijk is niet van deze wereld. Jezus komt niet om een aardse koning van de troon te stoten; Hij komt om de duivel van de troon te storten. Jezus overwint de dood door het leven, ten koste van Zichzelf. Hij stelt Zijn leven tot een rantsoen voor velen. Zijn Koninkrijk breekt baan. Er komen er steeds bij, niemand valt af.

Als een kind

In deze geschiedenis neemt Jezus de kinderen tot voorbeeld. De gestalte van een kind aannemen betekent ontlediging van onszelf en gezaligd worden. Niet door kracht, noch door geweld, maar door de Heilige Geest. 

Trots en hoogmoedig waren we in het paradijs. Daar waar je echter de oogkleppen van de ogen vallen en je werkelijk beseft schuldig te staan voor God; daar kun je niet anders dan tot Hem gaan. Wees mij zondaar genadig. 

Wie van de Heere een kinderhart krijgt wordt opmerkzaam op de stem van Vader. Door het Woord, leer je steeds dieper verstaan en liefhebben. Psalm 131 wordt dan steeds meer werkelijkheid: ‘O HEERE, mijn hart is niet verheven en mijn ogen zijn niet hoog; ook heb ik niet gewandeld in dingen mij te groot en te wonderlijk. Zo ik mijn ziel niet heb gezet en stilgehouden gelijk een gespeend kind bij zijn moeder! Mijn ziel is als een gespeend kind in mij. Israël hope op den HEERE, van nu aan tot in der eeuwigheid.’

Luister deze blog als podcast

Lees verder over dit onderwerp

Navolgers van God (3)

De reuk van de offers in het Oude Testament ging op tot God. We zien dat bij het offer van Noach, na de zondvloed. ‘En...

Navolgers van God (2)

Als Paulus in Efeze 5: 2 zegt dat christenen moeten wandelen in de liefde, is dat niet een zelf opgeklopte liefde. Het...