Beluister de podcast op   Logo Spotify podcast   Logo Itunes podcast

Beluister de podcast op   Logo Spotify podcast   Logo Itunes podcast

Luister de podcast

woensdag 9 juni

Een klacht die uitloopt op verwachting (1)

In de klaagpsalmen blikken we achter de gordijnen van het christenleven. Daar gaan de maskers af en blikken we hen in het hart. Daar klinkt de klacht vanwege de zonden, maar ook de klacht vanwege de omstandigheden. Het onrecht, de vragen, het waarom. ‘Waar bent U, God? Als U mij liefhebt, waarom gebeurt dit dan?’ 

Klaagpsalm 

Wij kunnen op het oog van die vrolijke mensen zijn. Die altijd de zon zien schijnen. Voor wie het leven een aanhoudend vreugdelied oproept. Maar wat weten wij van elkaar? In hoeverre peilen wij de diepte van elkaars bestaan? Wie kan afdalen in de vragen van een ander en raken aan de donkere onderstroom die soms alles zwart kleurt op de bodem van het zielenleven? 

Psalm 77 is zo’n klaagpsalm. De Psalm zet in met een klacht en een geloofsuitspraak. ‘Mijn stem is tot God en ik roep; mijn stem is tot God, en Hij zal het oor tot mij neigen.’ In de Engelse vertaling staat hier: ‘I cry loud to God’ Ik schreeuw het uit tot God. Hier bevindt zich iemand in de diepte. Iemand die niet meer keurig formuleert, die geen slag meer om de arm houdt, niet meer wikt en weegt, maar het uitroept, uitschreeuwt tot God. In de stilte van het hart, van de slaapkamer, alleen met God. 

Gedachten

Wat is het hart vol van gedachten, als we door een donkere tijd gaan. Een wirwar van gevoelens en gedachten. Maar uiteindelijk stromen ze samen op dit ene punt: gevoelens van benauwdheid en geen uitkomst te zien. De dichter zocht de Heere in de benauwdheid. Hij strekte ’s nachts zijn hand uit tot God. Hij weigerde getroost te worden. Zelf kon hij zijn gevoelens niet matigen of af doen nemen. Het overspoelde hem. 

Wie het uitklaagt bij God, moet geloven dat Hij is en een hoorder is van het gebed. Met andere woorden; zolang we nog klagen bij de Heere, is er een besef van Zijn bestaan. Als we er het zwijgen toe doen, zijn we er ten diepste erger aan toe. De gelovige strekt zich in de donkere nacht uit naar God. Om hulp, om heil. ‘Mijn stem is tot God en ik roep!’ Er is geloof nodig om een klacht te bidden. Biddend klagen is beter dan zwijgen. Stil blijven is een teken van ongeloof. 

Aanspraak, klacht en vraag

In de klacht die opklinkt in het eerste deel van Psalm 77 horen we dit gebeuren. Het aanspreken van God, een klacht en een vraag. Of beter gezegd een serie klachten en vragen. 

De Psalmdichter stelt zes vragen achter elkaar: 

  • Zal de Heere in eeuwigheid verstoten? (8)
  • En niet meer goedgunstig zijn? (8)
  • Houdt Zijn goedertierenheid in eeuwigheid op? (9)
  • Heeft de toezegging (belofte) een einde? (9)
  • Heeft God vergeten genadig te zijn? (10)
  • Heeft Hij Zijn barmhartigheid door toorn toegesloten? (10)

Deze man gaat nederig tot God. Als deze man tot God roept, dan is dat maar niet in het algemeen. Nee, Hij spreekt God aan op Zijn wezen. Houdt de goedertierenheid van de Heere op? Gods verbond en goedertierenheid worden in de Schrift geregeld in één adem genoemd. De Heere zet al Zijn macht in ten behoeve van Zijn verbondspartner, als deze op Zijn goedertierenheid een beroep doet. Is God niet meer voor hem wie Hij zegt te zijn? Overstemt de toorn van God Zijn genade? 

Hier wordt waar wat Luther over de Psalmen zegt: ‘Waar vind je diepere klachten, verdrietiger woorden vol treurigheid, dan in de klaagpsalmen? Ook daarin zien we de heiligen in het hart, als in de dood, ja, tot in de hel. Hoe duister en donker is het daar, omdat we inzicht krijgen in de toorn van God. Dus ook waar zij van hoop en vrees spreken, gebruiken de Psalmen zulke woorden dat geen dichter op die manier de vrees of hoop zou kunnen schilderen, en geen Cicero of redenaar het zo beeldend zou kunnen zeggen.’

Gedenken

Rondom vers 12 is er een draaipunt in de Psalm. ‘Ik zal de daden des HEEREN gedenken.’ Hier gebeurt iets wezenlijk. De dichter wordt teruggeleid in zijn eigen geschiedenis en die van zijn volk. Hij brengt zich in herinnering wat de Heere toen deed en wat dit betekent voor de toekomst.

Dit is wat de Heilige Geest uitwerkt, als we in de stilte het uitklagen bij God. De Geest richt onze gedachten op de Heere. Op de Vader in Zijn soevereine majesteit. De Almachtige, voor wie niets te wonderlijk is. De Schepper van de hemel en aarde. De Heilige, Die de zonden straft en het onheilige wegdoet, maar zich tegelijkertijd kennen laat als de goedertieren Ontfermer. In Zijn Zoon, Jezus Christus. Zijn goedertierenheid blijkt niet door toorn toegesloten. Vandaag is het genadetijd.  

Luister deze blog als podcast

Lees verder over dit onderwerp

Navolgers van God (3)

De reuk van de offers in het Oude Testament ging op tot God. We zien dat bij het offer van Noach, na de zondvloed. ‘En...

Navolgers van God (2)

Als Paulus in Efeze 5: 2 zegt dat christenen moeten wandelen in de liefde, is dat niet een zelf opgeklopte liefde. Het...