Beluister de podcast op   Logo Spotify podcast   Logo Itunes podcast

Beluister de podcast op   Logo Spotify podcast   Logo Itunes podcast

Luister de podcast

woensdag 3 maart

Kinderlijke vragen bij twaalf gestapelde stenen (1)

Als kinderen iets opvallends zien, volgen er vragen. ‘Papa, wat is dat? Waarom staat dat daar?’ Jozua voorzag dat kinderen vragen zouden stellen bij het herinneringsmonument dat hij liet bouwen in Gilgal. Hij geeft ouders een opdracht. 

Twee monumenten

Op de drooggevallen bodem van de Jordaan, bouwen twaalf mannen een stapel van twaalf stenen op. Precies op de plek waar de priesters stonden met de ark. Een opvallend gedenkteken, dat even later onder water zal verdwijnen. Waar het alleen bij laag water weer zichtbaar wordt. 

Vanuit diezelfde diepte laat Jozua door deze twaalf mannen stenen vanuit de rivierbedding het land op dragen. Twaalf grote stenen. Deze stenen brengt men naar Gilgal, waar de Israëlieten hun kampement hadden opgeslagen. Daar stapelen de mannen de stenen op tot een tweede gedenkteken. 

Het monument bij Gilgal komt te staan bij een plaats die voor Israël een bruggenhoofd en springplank zal vormen richting het daarachter gelegen gebied. Men had zojuist de doortocht door de Jordaan achter de rug. Straks zou men hier besneden worden en tevens het Pascha vieren. Een plaats waar de Heere Zijn verbond met het volk zou vernieuwen. Daar, op die plaats, plaatst de Heere een herinneringsteken in het landschap. 

Vragen

Jozua beseft de waarde van zo’n monument. Hij laat het namelijk niet over aan de tijd, om te zien of er gebeurt wat hij verwacht; namelijk dat kinderen vragen gaan stellen. Nee, hij neemt zelf het woord: ‘Hij sprak tot de kinderen Israëls zeggende: Wanneer uw kinderen morgen hun vaderen vragen zullen, zeggende: wat zijn deze stenen?’ De oude Jozua weet hoe dat gaat met de kleinen, hij heeft daar oog voor en ziet er het belang van. 

Dat wat van waarde is, wordt overgedragen van generatie op generatie. Zo gaat de Heere om met Zijn verbondsvolk. Het is de gewone weg dat ouders hun kinderen inleiden en inwijden in de geschiedenis. Het zijn de uitzonderingen waar dat anders gaat. 

Antwoord

Jozua laat zien dat vaders in Israël de tijd dienen te nemen om op vragen in te gaan. En als ze vragen stellen, dat die dan ook serieus worden genomen. 

Als kinderen vragen stellen die verder reiken dan vandaag en morgen, geven we dan ook antwoord? Jozua geeft niet de opdracht om ingewikkelde beschouwingen te houden. Hij geeft vaders de opdracht om te vertellen wat de Heere deed: 

  • Wat: Israël ging over het droge (Jozua 4: 22).
  • Waardoor: Omdat de HEERE zowel door de Schelfzee als door de Jordaan een begaanbaar pad gaf (Jozua 4: 23).
  • Waartoe: Opdat alle volken van de aarde de hand van de HEERE zouden kennen en opdat u de Heere uw God alle dagen vreest (Jozua 4: 24).

Verlossend handelen

Wat, waardoor en waartoe. Dat is de driedeling die Jozua aangeeft. Opdat zij oog krijgen voor de hand van de Heere in de geschiedenis. Daarin toont Hij Zijn verbondstrouw aan Israël, ten opzichte van de volken. Dat brengt de volken onder de indruk van Gods majesteit. 

Tegelijkertijd zet het Israël aan tot het vrezen van de Heere. Die vrees hangt samen met vertrouwen. Heilige vrees, heilig ontzag. ‘De vreze des Heeren is het beginsel der wijsheid.’ (Spr. 1: 7). Wat leidt tot de uitgaande beweging om de hand van God aan te grijpen in Zijn verlossend handelen. Want bij de Heere is uitkomst, een weg erdoor. Zoals is gebleken bij de doortocht door de zee, door de woestijn, en door de Jordaan. 

Terwijl men de stenen stapelt, is het tevens tijd voor het uitzoeken van het paaslam. Straks wordt het volk besneden en het lam geslacht. Hier bij Gilgal wijst alles op Gods trouw voor een ontrouw volk. Wat ten diepste tot uitdrukking komt in Christus. Verlossing, uit genade alleen. 

Luister deze blog als podcast

Lees verder over dit onderwerp

Navolgers van God (3)

De reuk van de offers in het Oude Testament ging op tot God. We zien dat bij het offer van Noach, na de zondvloed. ‘En...

Navolgers van God (2)

Als Paulus in Efeze 5: 2 zegt dat christenen moeten wandelen in de liefde, is dat niet een zelf opgeklopte liefde. Het...