Beluister de podcast op   Logo Spotify podcast   Logo Itunes podcast

Beluister de podcast op   Logo Spotify podcast   Logo Itunes podcast

Luister de podcast

maandag 5 december

Omgang met God in Zijn huis (1)

In Psalm 84 blijkt een diep verlangen naar het heiligdom. De omliggende wereld zal dit niet serieus nemen. De lofprijzing besterft hen op de lippen. Maar wie de Heere verwachten, hebben er oog en oor voor. Ze geven er stem aan. ‘Hoe liefelijk zijn Uw woningen, o HEERE der heirscharen!’ 

Kerkelijk

Bij de volkstelling van 1879 gaf 0.31% van de mensen aan onkerkelijk te zijn. Door de jaren heen is dit getal gegroeid. In 1920 betrof het 7,77%, in 1947 was het 17,04% en in 1971 was het 23%. Daarbij gold dat het aantal onkerkelijken naar verhouding in de steden groter was dan op de dorpen. 

Waren al de mensen die aangaven kerkelijk te zijn ook werkelijk kerkganger? Men was veelal dooplid of belijdend lid van de kerk; Nederland was een gedoopte natie. Tijden veranderen, mensen ook. Kerkelijken werden randkerkelijken en uiteindelijk onkerkelijken. Met name onregelmatige kerkgang bleek een slijtageproces in de hand te werken. Hoewel men niet altijd afscheid nam van persoonlijk geloof, dan toch wel van het kerkelijk leven. Dat laatste houdt het één generatie. De volgende generatie doet veelal nergens meer aan. 

Met deze realiteit in het achterhoofd luisteren we naar Psalm 84. Daar horen we een dichter die hevig verlangt naar Gods huis, naar de gemeenschap met de Heere. Wat brengt hem daartoe? 

Korach

De kinderen van Korach zingen hun lied in het heiligdom. Zij waren dorpelwachters van de tabernakel (1 Kron. 9: 19). Zij waren zangers in de tempel. ‘En de Levieten uit de kinderen der Kahathieten, en uit de kinderen der Korahieten, stonden op, om den HEERE, den God Israëls, met luider stem ten hoogste te prijzen.’ (2 Kron. 20: 19). 

Uit heel deze Psalm blijkt een diep verlangen naar het heiligdom. Was het wellicht een Psalm van David die hij opdroeg aan de zonen van Korach? David wist immers van een lange periode dat hij vanwege zijn vlucht voor Absalom niet naar Gods huis kon. Of was het een lied van pelgrims die dachten aan Jeruzalem. De beweging die zij maakten van de dorpen naar de stad, naar de tempel, naar het heiligdom. Waar zij dichter bij God dachten te zijn, in de tempel. 

Hoe dan ook, het verlangen is levend. Vanuit het gewone dagelijkse bestaan, gemeenschap met God te beleven. Niet langer de dagelijkse beslommeringen, maar het opgaan naar een heilige plaats. Zoals wij ons vandaag klaar maken om naar Gods huis te gaan. Je beseft, er staat iets bijzonders te gebeuren. De Heere laat van Zich horen; Hij spreekt. Het is een loflied over de omgang met God. De vreugde van Gods huis. Bij God te zijn, in Zijn huis. 

Lieflijk

Voor de Psalmdichter is de tabernakel of tempel niet zomaar een plaats. Het gaat niet om een gebouw waar er zovelen van zijn. Het is voor hem de plaats van de omgang met God. Hij heeft liefde voor Gods huis. 

Eigenlijk wil de dichter zeggen: ‘Het is onmogelijk om de liefde uit te drukken die ik heb voor Uw woonplaats, o HEERE.’ Dat kan blijkbaar. Er is een verband tussen de liefde tot de Heere en de liefde tot Zijn huis. Dit betekent niet dat je het kerkgebouw waar je samenkomt het mooiste van alle gebouwen hoeft te vinden. Dit betekent evenmin dat je lid bent van de ideale gemeente. Het betekent ook niet dat je favoriete dominee op het preekrooster staat. Nee, het gaat je allereerst om de ‘Heer van het huis’. 

Voor de Israëlieten toen en daar wees de offerdienst, de aanwezigheid van de ark, op de aanwezigheid van God. Ooit vulde een wolk het huis. Een teken van Gods aanwezigheid. Dit was de plaats waar Hij wilde wonen. Hier was de Heere nabij. Hier kwam men als voor Zijn aangezicht. Hier toonde Hij Zijn recht en genade, in de uitbeelding van de offers. Alles wees hier op Hem en op het Lam dat komen zou. 

Luister deze blog als podcast

Lees verder over dit onderwerp

De Heere baant Zich een weg (2)

‘En de heerlijkheid van de HEERE zal geopenbaard worden.’ (Jes. 40: 5a)  De engelen wisten al van Gods...

De Heere baant Zich een weg (1)

‘Troost, troost Mijn zal uw God zeggen.’ (Jes. 40: 1) Het klonk daar als een opdracht en in meervoud. In Jes. 40: 3...

Troost, troost Mijn volk (2)

Laat het een tedere manier van spreken zijn, als je gaat troosten. Zo luidt de opdracht van de Heere in Jesaja 40:...