Beluister de podcast op   Logo Spotify podcast   Logo Itunes podcast

Beluister de podcast op   Logo Spotify podcast   Logo Itunes podcast

Luister de podcast

maandag 27 december

Twee mannen brengen een offer (1)

Kaïn werd akkerbouwer, Abel werd schaapherder. Hiermee dienden ze de Heere. Ze werkten zich in het zweet, als gevolg van de zondenval. Het ging niet allemaal vanzelf. Van de opbrengst offerden zij voor de Heere. Zij gaven Hem terug van wat Hij schonk. 

Twee broers

In het begin van de Bijbel treffen we het eerste altaar aan. De offerdienst zou van het allergrootste belang worden voor de omgang met de Heere in het Oude Testament. We zien het bij Kaïn en Abel, bij Noach na de zondvloed, later bij de aartsvaders. De vraag om te mogen offeren in de woestijn vormde voor Mozes het uitgangspunt in zijn onderhandeling met Farao. Men wilde een reis van drie dagen maken de woestijn in, om daar de Heere offers te brengen. Later zou dit in de tabernakeldienst vorm krijgen, door middel van brandoffers, graanoffers, drankoffers en vredeoffers. Het was onderdeel van de verbondsomgang met de Heere. Bij het offeren riep men de Naam van de Heere aan. 

Hoofd van de familie

Wie daar een taak in had? Het hoofd van de familie. Zij functioneerden in zekere zin als priesters in het gezin. Zoals je dit naderhand ook ziet bij Noach, Abraham en Job. Het is niet ondenkbaar dat Kaïn en Abel hier ook reeds gezinnen hebben, als zij naderen voor Gods aangezicht om te offeren. Hoe dan ook, zij zien het als hun plicht om tot de Heere te komen met offers. Niet zomaar op een dag, maar op een speciaal moment: ‘en het geschiede ten einde van enige dagen’. Dus dit was een vastgesteld moment om tot de Heere te komen. Het is eredienst. 

Verschillende offers

Kaïn en Abel hoeven niet ver te zoeken om met iets te komen om te offeren. Kaïn bracht van de vrucht van het land, Abel van de eerstgeborenen van zijn schapen en hun vet. Dat brengen ze op het altaar, bij de Heere. 

Het Hebreeuwse woord dat hier gebruikt wordt voor offer (minha) kan zowel duiden op een dierenoffer als op een graanoffer. Straks zullen we zien dat het ene offer wel wordt aangenomen en het andere niet. Lag dat aan dat wat men meebracht? Had Kaïn, zoals sommige uitleggers zeggen, met een bloedoffer moeten komen? Dus met een dier op het altaar? Later was het bloed immers cruciaal bij de offerdienst in Leviticus? En God had ook reeds dieren geslacht om hen de huiden te geven, na hun zonden in het paradijs? En de Heere vervloekte toch de aardbodem, zou Kaïn daarom wel met iets van de aarde mogen komen bij de Heere? Hoewel er mooie lijnen te trekken zijn, is dat hier niet het springende punt. Uit het boek Leviticus blijkt dat de Heere zowel graan- als dierenoffers aanneemt. Zeker dan wanneer het ging om de eerste vruchten van de oogst (Lev. 23: 9-14, Num. 15: 17-21, Deut. 26: 1-11). De lezers van Genesis hadden ook beschikking over de andere boeken van de Pentateuch. Men heeft de situatie kunnen zien in het licht van het geheel van de offerdienst. 

Op het oog is er dus geen verschil in de offers. Een offer van de vruchten van het land en een dierenoffer. Voor de Heere is het echter beide een offer van dat wat Hij hen gaf. Kaïn als landbouwer, Abel als schaapherder. 

Verschil

Onder heidense godsdiensten was het geven van een gave aan de goden naderhand gebaseerd op de gedachte: ‘Ik geef, opdat jij geve’ (do ut des). Wie zo met de goden omgaat, doet bij het offeren een investering. Die je er uiteraard ook weer graag uit wilt hebben. Dan is het geen lofzeggende dienst, maar een transactie. Zo kunnen we echter ook leven voor het aangezicht van God. Dan komen we betalen, met de wens daar wat voor terug te krijgen. Dan denken we dat God evenzeer als wij onder de indruk is van onze eindejaargiften. 

Kwamen Kaïn en Abel om indruk te maken bij de Heere, met hun gave? Of kwamen zij om hun dank aan Hem te betuigen? Gezien wat ze meebrengen is er onderscheid, Abel koos het beste van de stal. Kaïn nam mee wat voorhanden was. De Heere blikt echter dieper dan wat voor ogen is. Hij ziet het hart aan. 

Het geloof is een vaste grond van dingen die men hoopt en een bewijs van de zaken die men niet ziet. Zo zet de rij met geloofshelden in Hebreeën 11 in. En dan volgt in vers 4: ‘Door het geloof heeft Abel een meerdere offerande Gode geofferd dan Kaïn, door hetwelk hij getuigenis bekomen heeft, dat hij rechtvaardig was, alzo God over zijn gave getuigenis gaf; en door hetzelve geloof spreekt hij nog, nadat hij gestorven is.’ Kaïn kwam een investering doen, Abel kwam God de dank toebrengen. Omwille van de God Die verlossing in het vooruitzicht stelde. Wie oog heeft voor Christus’ offer, ziet offeren als een liefdedienst. Zoals we zien bij zendelinge Elisabeth Elliot: een leven op het altaar. 

Luister deze blog als podcast

Lees verder over dit onderwerp

De wijnstok en de ranken (1)

Ik ben de ware wijnstok. Dit betreft de zevende ‘Ik-ben’ uitspraak van Jezus en daarmee de laatste in het Evangelie...