Beluister de podcast op   Logo Spotify podcast   Logo Itunes podcast

Beluister de podcast op   Logo Spotify podcast   Logo Itunes podcast

Luister de podcast

dinsdag 8 maart

Calvijn: ‘Ook zwak geloof is echt geloof’

Geloof is een gave van God. Gelovigen die Christus omhelzen zijn volgens Calvijn uit God geboren. Dat is het werk van de Heilige Geest. Vanuit onze ervaring kan ontluikend geloof zo onder vuur liggen, dat we het onbedoeld voor onecht houden. Calvijn spreekt pastoraal over ‘zwak geloof’. 

Gevoelens 

De ervaring van een gelovige kan heel gemengd zijn, meent Calvijn. Dan is er sprake van strijd vanbinnen. Geloof en aanvechting komen vaak samen. Dat zien we bij David. Gedurende heel zijn leven horen we geregeld klachten opklinken tot God. Hij spreekt daarbij over de vragen van zijn hart. De onrust, de vrees. David spreekt daarbij tot zijn eigen ziel: hoop op God! Soms klaagt Hij zelfs dat het lijkt of God vergeten is om genadig te zijn. Het geloof is volgens Calvijn als een palmboom, dat zich tegen verdrukking in altijd weer blijft inspannen en zich omhoog verheft. Niet bezwijkend onder de last, maar zich richtend op de Heere. 

Druppel

De ervaring kan tegenstrijdige gevoelens met zich meebrengen. Calvijn vond het nodig om gelovigen die ervaren een ‘zwak geloof’ te hebben, te bemoedigen. In zijn Institutie (Boek 3, H2, par. 19) schrijft hij het volgende:

‘Om kort te gaan, zodra ook maar het kleinste druppeltje geloof in ons hart afdaalt, beginnen wij al het vriendelijke, lieflijke en ons welgezinde gelaat van God te aanschouwen. We zien het dan weliswaar in de verte en ver van ons vandaan, maar toch wel zo helder dat wij zeker weten dat het volstrekt geen inbeelding van ons is. 

Naarmate wij vervolgens verder komen (en het is ook gepast dat wij steeds verder komen), zetten wij als het ware steeds een stap dichterbij, komen wij tot een aanblik van meer nabij en zien wij het telkens wat duidelijker en doordat het zo steeds doorgaat, wordt Gods aangezicht ons ook meer vertrouwd. 

Zo zien wij dat een hart dat door de kennis van God verlicht wordt, in het begin nog met veel onwetendheid bevangen is, en dat die langzamerhand afneemt. Maar al weet het bepaalde dingen nog niet of al ziet het de dingen die het waarneemt nog niet heel scherp, dat belet het toch niet om een heldere kennis te genieten van Gods goede gezindheid jegens hem, wat in het geloof het belangrijkste is en de voornaamste plaats inneemt. 

Het is als bij iemand die in een kerker opgesloten zit en de stralen van de zon ziet lichten die slechts door een klein raampje schuin en zo’n beetje half naar binnen vallen; het is hem niet vergund de zon in vrijheid te aanschouwen, maar toch drinkt hij met zijn ogen de onmiskenbare glans ervan in en kan hij van het licht gebruik maken. Zo zitten, wij, in de banden van ons aardse lichaam gevangen, wel aan alle kanten in een diepe duisternis, maar toch krijgen wij, als God om Zijn barmhartigheid te betonen Zijn licht ook maar een heel klein beetje over ons laat stralen, daar van licht genoeg om ons volkomen gerust te laten zijn. ‘

Leestip: Institutie, Johannes Calvijn, deel 1, vertaling dr. C.A. de Niet, Den Hertog Houten). 

Luister deze blog als podcast

Lees verder over dit onderwerp

Ds. W.L. Tukker over bekering (1)

Aan de hand van Zondag 33 van de Heidelbergse Catechismus legde ds. W.L. Tukker (1909-1988) uit wat bekering is. Hij...