Beluister de podcast op   Logo Spotify podcast   Logo Itunes podcast

Beluister de podcast op   Logo Spotify podcast   Logo Itunes podcast

Luister de podcast

dinsdag 11 juli

Ds. I. Kievit over de moederbelofte uit Genesis 3 (4)

‘Het is dus duidelijk, dat de Heere spreekt tot de slang, in tegenwoordigheid van Adam en Eva. En door de slang heen richt de Heere zich tot satan. Daarom heeft de tekst een dubbele zin. Het oordeel over satan is ingeweven in het oordeel over de slang als dier.’ Aldus ds. I. Kievit in een meditatie in 1936. 

Vijandschap


En Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw. God spreekt dus tot de slang en wijst Eva als met de vinger aan. Zo goed de verhouding was, zo kwaad zal ze worden. De Heere zelf ontketent deze strijd. Ik zal vijandschap zetten. Nu is zeker bij een dier van geen zedelijke schuld sprake. Maar deze orde heeft God in zijn schepping gesteld. Zo lezen wij (Gen. 9: 5), dat het vergoten levensbloed door den Heere zal worden geëist van al het gedierte, zowel als van den mens. Een os, die een mens stoot, dat hij sterft, moet worden gestenigd, en ondergaat dus een strafrechtelijke executie. Zo wordt ons hier in de moederbelofte, in het historisch verband, waarin zij is geschonken, allereerst geleerd, dat er een bijzondere strijd zal zijn tussen mensen en slangen.


Zo merkt Calvijn op bij de woorden: Ik zal vijandschap zetten: ,,Ik versta eenvoudig hierdoor, dat er altoos vijandschap en strijd zal zijn tussen het menselijke geslacht en de slangen, gelijk nog heden ten dage wordt gezien. Want door een verborgen gevoel in onze natuur heeft de mens van deze een afschuw… Zo vaak het zien van slangen ons schrik aanjaagt, wordt de herinnering aan onze val vernieuwd.


Er is vijandschap tussen slangen en mensen. Dat geldt van de gifslang allereerst, maar ook van andere soorten, die geen giftand hebben, maar alles verbrijzelen en kraken door omkronkeling, zoals de boa en python. De bange werkelijkheid van deze strijd tussen slangen en mensen wordt, om een voorbeeld te geven, wel heel sprekend in het licht gesteld in Brits-Indië, waar het getal van degenen, die jaarlijks door slangen worden gedood, tien maal zo groot is !s van hen, die ten offer vallen aan alle overige gevaarlijke en wilde dieren tezamen.

Strijd


Toch leert nu hier de Schrift, dat de overwinning aan de zijde des mensen zal zijn. De strijd zal ook gaan tussen beiderlei zaad. Tussen slangen en mensen, maar de mens zal de overhand behouden, want hij zal de kop van de slang vermorzelen, terwijl de slang de hiel des mensen zal vermorzelen. De hielenbeet zelfs van de gifslang behoeft nog niet dodelijk te zijn, wanneer tijdig wordt ingegrepen en de wond gezuiverd. De zegepraal is bij de mens. Door haar beschaving dringt de mensheid de slangen terug, terwijl zijn glorie slechts hielenbeet is.

Intussen zien wij, dat de Heere zich barmhartig betoont, in het straffen van de mens. Want, terwijl Hij van de slang niet meer vrijheid veroorlooft dan de hiel van den mens aan te raken, staat hij dezen toe den kop van de slang te vermorzelen. En zo doet de Heere nog enige heerschappij aan den mens overblijven, doordat Hij de wederkerige neiging om elkaar afbreuk te doen zó maakt, dat zij toch niet gelijk staan, maar de mens de sterkere zal zijn in de strijd. Zo merkt Calvijn op.


Evenwel, met deze verklaring zijn we niet gereed met onze tekst, ook al mag deze zijde van de waarheid niet worden veronachtzaamd, omdat zij er ongetwijfeld in wordt uitgesproken. Anders geschiedt aan het historisch verband geen recht. De eerbied voor Gods Woord moet zo groot zijn, dat we nimmer trachten weg te laten of toe te voegen naar eigen begeerte, maar steeds vragen naar de mening van de Geest. 

Boodschap


We moeten nu de diepere achtergrond van onzen tekst zoeken te vinden en openen. Hier is veel meer dan alleen dit, dat de mens het wint van de slang. De Christelijke Kerk heeft terecht gesproken van de moederbelofte, van het evangelie van de verlossing. Artikel 17 onzer belijdenis zegt, dat de gevallen mens, die al bevende voor God vlood, getroost werd: belovende hem Zijn Zoon te geven, die worden zou uit een vrouw, om de kop van de slang te vermorzelen en hem gelukzalig te maken. En onze Catechismus wijst er in den zesde Zondag op, dat God zelf ten eerste het evangelie in het paradijs heeft geopenbaard. 

Achter de slang staat een ander, een boze geestelijke macht, die wij door het Woord van de Heere Jezus leren kennen als die van de duivel. Ook hier is het duidelijk, dat achter de slang op een ander wordt gedoeld. Immers, terwijl de vrouw in de tweede helft van het vers plaats maakt voor haar zaad, blijft de toegesproken slang dezelfde. Die „gij” is dezelfde, die de vrouw heeft verleid, dezelfde met wie de vrouw in vriendschapsverband was getreden, is ook dezelfde, die aan het einde door het zaad van de vrouw zal worden overwonnen. Het is duidelijk, dat alzo in de slang een bepaalde persoonlijkheid wordt toegesproken, die boven de slang als dier uitgaat. Hij zal tot de eindbeslissing van den zo langdurige strijd blijven voortbestaan en zijn vernielende werking trachten uit te oefenen.’ 

Luister deze blog als podcast

Lees verder over dit onderwerp

Filippus en de kamerling (4)

„En alzo zij overweg reisden, kwamen zij aan een zeker water, en de kamerling zeide: Zie daar water, wat verhindert...

Filippus en de kamerling (3)

Wat las de kamerling uit Candacé in de profetieën van Jesaja? Ds.W.L. Tukker gaat daarop in, bij zijn meditatie over...

Filippus en de kamerling (2)

‘Die man had een boekrol bij zich van Jesaja. En daar zat hij op reis in te lezen. Hij was al in Jesaja 53!’ Aldus ds....