Beluister de podcast op   Logo Spotify podcast   Logo Itunes podcast

Beluister de podcast op   Logo Spotify podcast   Logo Itunes podcast

Luister de podcast

woensdag 20 juli

Ds. L. Kievit: Jakob bereikt bij Pniël allereerst een dieptepunt

‘De nacht valt nu snel over het veld en over de beek. Jakob brengt zijn vrouwen en kinderen aan de overzijde, zelf blijft hij aan deze zijde, alleen, volstrekt alleen.’ Ds. L. Kievit laat het zijn lezers meebeleven, hoe Jakob eenzaam achterblijft bij Pniël: ‘Zou hij ooit zo eenzaam geweest zijn als in deze nacht? Was de nacht ooit zo donker, om hem heen? Alleen met zijn verleden en met zijn toekomst; met zo’n toekomst.’ 

God komt

In de stille nacht die valt over Pniël heeft Jakob een ontmoeting met een Man, waarmee hij in gevecht raakt. Ds. L. Kievit (1918-1990) laat het ons meemaken: ‘Sluipen de zonden en de zorgen hier in Pniël nu naar hem toe? En wie doemt daar op uit het diepe duister van de nacht? Is het Ezau? Is het iemand anders? Het is Iemand anders: Ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht. God verschijnt aan hem in mensengedaante; niet als een toeschouwer, die eens poolshoogte komt nemen maar als een tegenstander, die orde op zaken stelt. Dat had Jakob allerminst verwacht; Hij had God immers tot medestander, tot bondgenoot? Denk maar aan Bethel, waar de Heere zich aan hem openbaarde. Hij had hem er onlangs nog aan herinnerd. En Jakob kon op de Heere rekenen, vandaar zijn gebed gisteravond, vol verwachting, vol vertrouwen. Hoe heeft hij het nu?

Er is echter geen twijfel mogelijk. Het gevecht is meteen aan de gang en neemt in hevigheid toe. Jakob en deze Man worstelen met elkaar, hun lichamen verstrengelen zich in de strijd. Pniël, een Gods ontmoeting. Welk een ontmoeting. God neemt Jakob geducht onder handen. Hoe had deze gepoogd zijn broeder uit handen te blijven, en zie daar, onverhoeds valt hij God in handen. Het is vreselijk te vallen in de handen van de levende God. Niet de God waarmee wij spelen kunnen als met een pop en aan wie wij onze handen vol hebben. Maar de levende God, in wiens handen wij zijn als was, dat smelt voor het vuur.

Pniël. Hier kan Jakob het niet winnen en wie het niet kan winnen heeft het eigenlijk al verloren. Er verstrijkt enige tijd, dan vlijmt de pijn door Jakobs lichaam: zijn heup werd ontwricht. Hij is gebroken in zijn kracht; met een handomdraai werd hij buiten gevecht gesteld. Hij lijdt niet alleen de nederlaag, hij kan zich nauwelijks meer overeind houden. Hij vreest het leven er bij te zullen inschieten. Als hij de naam Pniël verklaart, trilt er nog een grote ontsteltenis in zijn woorden: Ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht en…

De levende God, die zoeken wij niet, die zoekt ons.

Dieptepunt

Begrijpt u nu, dat Pniël het dieptepunt in Jakobs. leven betekent? Hij had de kaart geraadpleegd, de weg uitgestippeld. Langs Pniël zou hij trekken. Toen kwam dit oponthoud! Geen tegenspoed is te vergelijken met deze tegenstander. Ezau verdwijnt in het niet, wanneer God verschijnt en Jakob Hem aanschouwt, van aangezicht tot aangezicht. Dat is om te besterven; eigenlijk gaat Jakob hier sterven. Hij komt aan het eind van zijn wegen. Zeker, de Heere wilde hem op de wegen ontmoeten, bemoedigen zelfs; maar de Heere kon ze niet goedkeuren. En Jakob die ervan uitging, dat God met hem was, moet hier ontdekken, dat God zich tegenover hem stelt.

In Pniël worden de rollen omgekeerd, daar gaat God de teugels in handen nemen. Wie kan het tegen Hem volhouden? U en ik, wij kunnen ons niet rechtvaardigen, als de Heere onderzoek doet naar onze overtredingen. Daarom trachten wij Hem te ontlopen, als Hij ons wat te na komt. De levende God, die zoeken wij niet, die zoekt ons. En Zijn zoeken wordt in Pniël een bezoeken; een afrekenen met iemand die niets heeft om zijn schuld te betalen. Wie zou daarnaar verlangen? Niemand immers. Onze godsdienst — had u er ooit erg in — dient vaak als een hulpmiddel, om de levende God te ontlopen. Wij dienen Hem toch, wij eren Hem toch. Wat wil Hij nog meer? Hij nog meer, mijn lezer. Hij wil u een nieuwe naam geven! Daarom pakt Hij deze en gene hardhandig aan. Wij vleien ons met de gedachte, dat wij van God niets te duchten hebben. Het wordt ons van bevoegde en betrouwbare zijde verzekerd: Hij kan geen kwaad. Maar in Pniël worden wij genoodzaakt deze mening te herzien. Doe het heden nog, vergist u niet in Hem, Hij is de Levende.

Verloren om te winnen

Wij spannen God zo graag voor ons eigen karretje, vooral als we vastraken in de modder van moeite en nood. Ondertussen rijden we verder in ons eigen spoor, en spannen we Hem straks uit: het gaat weer. Maar dat kan op de duur en uit ter aard niet: God voor ons karretje spannen, terwijl dat in ons eigen spoor verder rijdt. Dat moet Jakob leren hier in Pniël. God houdt hem staande. Ik heb God gezien. Wat wist ik van God? Ik had met Hem onderhandeld; ik had gebeden en gedankt: ik had heel wat uitreddingen ervaren, ik kon daar lange verhalen van vertellen. Maar in Pniël kwam ik erachter met welke God ik al deze tijd van doen had. En die al die tijd met mij van doen wilde hebben, dat ook, o wonder van genade. Toen ik Hem in het oog kreeg, werd ik verschrikt. Ik moest het opgeven, het was verloren! Dat is het dieptepunt, mijn lezer, daar waar wij het verloren geven … om het te winnen.’

Na de zomerstop volgt het vervolg, waarbij ds. L. Kievit ons met Jakob de Heiland doet zien. De vier afleveringen over Jakob bij Pniël vormden ooit samen twee meditaties uit de Waarheidsvriend, jaargang 1963. 

Luister deze blog als podcast

Lees verder over dit onderwerp

Ds. L. Kievit: Jakob bij Pniël

‘Dacht u God en mensen om de tuin te kunnen leiden en toch vrijuit te gaan?’ Die vraag stelt ds. L. Kievit als hij het...