Beluister de podcast op   Logo Spotify podcast   Logo Itunes podcast

Beluister de podcast op   Logo Spotify podcast   Logo Itunes podcast

Luister de podcast

dinsdag 19 juli

Ds. L. Kievit: Jakob bij Pniël

‘Dacht u God en mensen om de tuin te kunnen leiden en toch vrijuit te gaan?’ Die vraag stelt ds. L. Kievit als hij het leven van Jakob als een spiegel gebruikt voor ons. Jakob loopt vast bij Pniël. 

Reizen

In een meditatie bespreekt ds. L. Kievit in de zomer van 1966 de strijd die Jakob met zichzelf en God voerde bij Pniël. Ik wil daar twee afleveringen aan wijden, door samen met dominee Kievit als het ware om de hoek te kijken bij Pniël. 

Kievit: ‘De zomermaanden zijn maanden om te reizen. De meeste mensen zoeken het steeds verder van huis; en als men verre reizen doet, dan kan men veel verhalen. Thuis gekomen halen wij de herinneringen nog eens op, wisselen de ervaringen met elkaar uit, en vertellen bijzondere voorvallen in geuren en kleuren. Het hoort bij de vakantievreugde, dat we van tevoren de plannen klaarmaken, en later de reis bepraten met ieder die er maar naar luisteren wil. Doen we het erg nauwkeurig, dan komt de kaart er al spoedig aan te pas: Deze stad, dat dorp, die route. We doen het in gedachten nog eens over, en nemen anderen even mee.

Nu kijken wij vandaag over Jakobs schouder op de landkaart van Palestina. Hij legt zijn vinger bij een plaatsnaam: Pniël. Is dat een belangrijke of zelfs maar een bekende stad? Nee, dat niet bepaald, al wordt Pniël in het boek Richteren nog een keer genoemd. Kijk, hier stroomde de Jabbok, een oostelijke zijrivier van de Jordaan. Aan de overzijde strekt zich het land Kanaän uit. Misschien zegt ons dit iets; Jakob had de grenzen van Kanaän bereikt. Hij keerde immers na een lange reis terug naar huis.

Aantekening paspoort

Daar, aan de grens moet hij zijn papieren tonen; zij staan op de naam Jakob. Daar moet hij de kosten overrekenen van zijn terugkeer. Pniël is een grenspost. Er wordt naar zijn naam gevraagd, iemand kijkt zijn paspoort in: Jakob. Hij fronst de wenkbrauwen: geen fraaie naam. De naam heeft de klank van bedrieger. Jakob bedroog zijn vader Izaak en zijn broer Ezau. Zeker, de bedrieger werd op zijn beurt door Laban bedrogen, maar dat neemt de schuld niet weg. Er staan bezwarende aantekeningen op het paspoort, het verleden spreekt mee. Jakob wordt aan de tand gevoeld. Opsporing en aanhouding verzocht van… O wee, dat ziet er niet mooi uit.’ 

In de tijd dat Kievit dit schreef, waren de grenzen nog voorzien van controleposten. Anno nu is dat anders. Toch kan er opeens een wegblokkade staan in de buurt van de grens en dien je je paspoort te geven. Kievit: ‘U kent dat: Pascontrole bij de grenspost. Hoe is uw naam? In dit geval stelt God de vraag; Hij bemoeit er zich persoonlijk mee. Dat is Pniël; Ik heb God gezien, zo maar recht tegenover mij, van aangezicht tot aangezicht. Weet u Pniël te liggen? Hoe ging het in uw leven. Het liep u mee, het liep u tegen en soms liep het u uit de hand. Maar liep u ooit tegen de lamp? Het felle licht van Gods alwetendheid flitst aan over uw verleden, uw naam werd afgeroepen: Bedrieger. Dacht u God en mensen om de tuin te kunnen leiden en toch vrijuit te gaan? Als u dit leest, vraagt de Heere inzage van uw levenspapieren. Zijn ze in orde? Had u daarop niet gerekend, toen u dit blad openvouwde? ‘t Zou er mij toch maar rekenschap van geven; plotseling kunt u aan de grens van de eeuwigheid staan, en wat dan?

Wie Jakob zegt, zegt Ezau. Jakob denkt aan zijn broer, hij heeft trouwens vernomen, dat Ezau hem met vierhonderd man tegemoet trekt. Dat belooft niet veel goeds. Pniël ligt tussen verleden en toekomst, en ook de toekomst is niet rooskleurig. Ezau is nog wraakzuchtig, hij zal Jakob de terugkeer beletten. En Jakob is kwetsbaarder dan ooit, met zijn vrouwen en kinderen, zijn vee en zijn have. Hoe zal hij Ezau verzoenen? Hij doet er zijn uiterste best voor, maar zal het hem gelukken?

Verleden en toekomst

Bij de grenspost worden zijn bange vermoedens tot zekerheid: Ezau wacht hem op! Jakob was goedsmoeds op weg gegaan naar de tent van zijn vader, naar het land van zijn jeugd. Nu zinkt hem de moed in de schoenen, Ezau staat levensgroot voor hem. Verleden en toekomst spannen tegen hem samen, dreigen hem te verpletteren onder hun loodzware gewicht. Hij moet boeten voor wat er is gebeurd; met een geschenk? Met een gevecht? Een gevecht op leven en dood? Wat kan de toekomst ineens beangstigend naar ons toe komen; er is geen ontwijken aan.

Zo wordt Pniël in Jakobs leven een dieptepunt. Want Jakob loopt vast, zo vast als een muur. Tot nu toe vond hij altijd een uitweg, hij redde het, soms ternauwernood, maar hij redde het. Nu kan hij vooruit noch achteruit, hij zit volkomen klem. In deze nood roept hij tot de Heere, de God van zijn vaderen. Hij pleit op het woord des Heeren: Gij hebt toch gezegd: Keer terug naar uw land en Ik zal u weldoen. Red mij toch uit de hand van mijn broeder. Er valt niets op zo’n gebed aan te merken, of het moest zijn, dat Jakob zijn naam vergeet! Hij roert de schuld niet aan en daarom vindt hij geen rust. Wie doét dat nooit, over de schuld heen bidden? Wie komt er eerlijk voor uit: Ik heet Jakob, ik heb al uw weldaden dubbel en dwars verbeurd. Zou daar de oorzaak niet liggen van veel onvrede? Wij kunnen wel amen zeggen, maar waar en zeker wordt de verhoring pas, als we van ons hart geen moordkuil maken. Wanneer we onze nood en ellendigheid recht kennen, leert ons de catechismus. Vergeef ons onze schulden! Dat hoort bij een gebed dat God behaagt en van Hem verhoord wordt.’ 

Deel 2: morgen volgt de ontknoping. 

Luister deze blog als podcast

Lees verder over dit onderwerp