Beluister de podcast op   Logo Spotify podcast   Logo Itunes podcast

Beluister de podcast op   Logo Spotify podcast   Logo Itunes podcast

Luister de podcast

vrijdag 8 maart

Ds. W.L. Tukker: Jezus’ lijden in een Psalm (2)

‘Hier wordt dus het grote gebod volbracht aan het begin van het lijden en in geheel het lijden.’ Aldus ds. W.L. Tukker in 1967 in een meditatie over Psalm 116 in het Gereformeerd Weekblad. ‘Het is de liefde tot de Vader als de Zoon zo bitter bedroefd gaat worden in Gethsemané, als Hij Zich laat binden, als Hij Zich tot driemaal toe zo’n afmattend verhoor laat afnemen, als Hij Zich laat geselen, laat bespotten, als Hij Zich laat kruisigen, als de angsten der hel en de banden des doods hem gaan omvangen.

Liefde

Ik heb lief. De Heere Jezus heeft zo bijzonder geleden als de Zoon des mensen. Zo heeft Hij daar gestaan. Maar geldt dan Zijn liefde ook niet dat andere gebod, dat aan het eerste gelijk is? En als Psalm 116 eindigt met de woorden, dat Jezus zal gaan in het heiligdom, waar ’t vrome volk vergaart, ziet dat dan niet op die andere zijde van het gebod, namelijk dat der mensen? Hij is niet gekomen om een half gebod te volbrengen, maar het hele. Nu is Zijn ure gekomen en Christus zegt wat Hij doet, doet wat Hij zegt. Had de Vader een welbehagen in de mensen, ook de Zoon heeft in de mensen een welbehagen. „Ik heb lief”, zo klinkt het binnen de muren van de Paaszaal. „Ik heb lief”, zo klinkt het door al Zijn lijden heen. Een wereld, verloren in schuld. Ik heb lief, zegt Zijn blik op Petrus in de zaal van de Hogepriester, als Hij Zich omkeerde naar deze jongere. „Ik heb lief”, zo zegt de bede, die Hij op Zijn kruis voor de overtreders gebeden heeft. „Ik heb lief”, zo zegt het antwoord, dat Hij geeft aan één van Zijn medegehangenen aan het kruis. „Ik heb lief”, zo zegt ten slotte het „Volbracht” over Zijn ganse kerk, over al de gegevenen des Vaders. Wat Jezus gezongen heeft aan het begin, dat blijft door de ganse lijdensnacht en door de ganse Goede Vrijdag doorklinken.

Smeken

„Want de HEERE hoort mijn stem, mijn smekingen. Want Hij neigt Zijn oor tot mij: dies Ik hem in mijn dagen zal aanroepen. De banden des doods hadden mij omvangen, en de angsten der hel hadden mij getroffen: Ik vond benauwdheid en droefenis.”

Dat is een smeken geweest bij de Middelaar en dat is een grote nood geweest. Het is u bekend hoe Hij in Gethsemané geworsteld heeft, niet alleen maar dat deze drinkbeker van Hem voorbij mocht gaan, maar ook om en over wat anders. Als Hij druppelen bloeds gezweten heeft, als Hij in benauwdheid hulp gezocht heeft zelfs bij de drie uitverkoren discipelen, herhaaldelijk, als Hij ten tweede male te ernstiger bad, dan lezen wij, dat Zijn ziel geheel bedroefd was tot de dood toe. Dat is niet gering geweest. Daar heeft Hij geworsteld om het behoud van zondaren, daar heeft Hij geworsteld onder de last van de zware toorn Gods. Ook aan het kruis, inzonderheid aan het kruis heeft Hij die last zelfs van de Godverlatenheid gedragen, zodat Hij gebeden heeft het „Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten.” En zie, daar hebt gij het: de hel en de dood.

Dood

De dood is zo benauwend, hij is zo angstwekkend. Jezus heeft dat vóórvoeld in de Paaszaal en Hij heeft er biddend van gezongen. Hij heeft dat doorvoeld in Gethsemané en op Golgotha en Hij heeft er toen niet van gezongen, maar het is door Hem heengegaan. De dood en de hel zijn voor ieder mens, die daarmee te maken krijgt, die daar voor komt te staan, een benauwenis, maar Jezus’ dood en de helse smart, die op Hem aankwamen, bevatten al de pijn en de smart van al de zijnen. Dit was sterven, wat Jezus deed. Dit was borgtochtelijk helse smart lijden. Banden des doods, daar raakt men in geboeid, en de angsten der hel, die benauwen het hart in het denken. Daar staat, dat de banden des doods Hem omvangen hielden. En er staat, dat Hij getroffen werd door angsten der hel. Dat is altijd het ongedachte, het nooit gekende. Zij troffen Hem.

En dat alles nu onder dat borgtochtelijke hoofd: „Ik heb lief.” Dat alles om Gods wil, dat alles vóór mensen. Opdat mensen, zondige mensen, verlost zouden worden uit de angsten der hel. Wat een troost, als die banden mogen breken, en gij moogt leven en niet sterven. 

Wat een troost, als de helse kwellingen, de angsten over verdiende en gedreigde straf van u genomen worden en gij moogt in de ruimte gaan. Als de hemel voor u open gaat, in ver verschiet, dan gaan de poorten der hel voor u toe. Dan geldt, dat de poorten der hel de gemeente des Heeren niet zullen overweldigen. Dan zingt uw ziel met die van de discipelen, met die van David: God heb ik lief, want die getrouwe HEER’ Hoort mijne stem, mijn smekingen, mijn klagen; Hij neigt Zijn oor, ‘k roep tot Hem al mijn dagen; Hij schenkt mij hulp, Hij redt mij keer op keer.’

Luister deze blog als podcast

Lees verder over dit onderwerp

Filippus en de kamerling (4)

„En alzo zij overweg reisden, kwamen zij aan een zeker water, en de kamerling zeide: Zie daar water, wat verhindert...

Filippus en de kamerling (3)

Wat las de kamerling uit Candacé in de profetieën van Jesaja? Ds.W.L. Tukker gaat daarop in, bij zijn meditatie over...

Filippus en de kamerling (2)

‘Die man had een boekrol bij zich van Jesaja. En daar zat hij op reis in te lezen. Hij was al in Jesaja 53!’ Aldus ds....