Beluister de podcast op   Logo Spotify podcast   Logo Itunes podcast

Beluister de podcast op   Logo Spotify podcast   Logo Itunes podcast

Beluister de podcast op   Logo Spotify podcast   Logo Itunes podcast

vrijdag 11 september

God is niet te meten

Wij mensen hebben de onbedwingbare neiging om Gods mogelijkheden op te sluiten binnen de kaders van ons denken. Daardoor wordt onze verwachting van Hem beperkt. Wij denken in menselijke maat. God is echter altijd groter. 

Overal

In Psalm 139 vraagt de dichter zich af waar hij heen zou kunnen gaan om buiten beeld te raken bij God. ‘Zo ik opvoer naar de hemel, Gij zijt daar; of bedde ik mij in de hel, zie, Gij zijt daar. Nam ik vleugelen van de dageraad, woonde ik aan het uiterste der zee, ook daar zou Uw hand mij geleiden, en Uw rechterhand zou mij houden.’ Petrus van Mastricht (1630-1706) legt uit dat de dichter hier Gods onmetelijkheid toont. 

God is aanwezig in de hemel. Door Zijn Wezen, zijn kennis, kracht en macht. Tegelijkertijd vraag de dichter zich af of hij zich ook ter ruste zou kunnen leggen op een plaats waar God niet zou zijn. Hij gebruikt daar voor het woord ‘hel’, ‘sheol’. Petrus van Mastricht stelt dat we hier het woord graf moeten lezen, in plaats van hel. Het gaat de dichter om de grootste tegenstelling ten opzichte van de hemel wat afstand betreft. Maar ‘in de hel spreiden wij ons geen bed’, meent Mastricht. Daarom concludeert hij: ‘Gepaster zou hier het woord “graf” kunnen betekenen (zoals in Gen. 42: 38, Hand. 2: 27, Ps. 16: 10), omdat de graven van de gestorvenen als rustbedden zijn. Hier echter wordt het tegenover de hemel gesteld, als de laagste plaats, het allerverst van de hemel vandaan.’ De Psalmdichter concludeert dat God daar is. Er is geen plaats om te vluchten buiten Gods zichtveld. Hij is alomtegenwoordig. 

Aanwezig

Petrus van Mastricht vat Gods alomtegenwoordigheid als volgt samen: ‘God is onmetelijk en alomtegenwoordig. Hij bestaat met Zijn Wezen en tevens met Zijn kennis, alsook met Zijn werking, samen met elke ruimte en met elk schepsel in die ruimte.’ De Heere is er, overal. 

Hij verwijst daarbij naar de woorden van Augustinus, in zijn boek ‘De stad Gods’. ‘Dezelfde God is overal geheel en al, in geen plaatsen ingesloten, aan geen banden gebonden, in geen delen deelbaar, in geen enkel deel veranderlijk, terwijl Hij hemel en aarde vervult met Zijn tegenwoordig zijnde macht, en Zijn niet natuur niet afwezig is.’ 

Wonderlijk, de Heere is werkelijk allesomvattend. Hij draagt Zijn schepping en is erop betrokken. Er is geen plaats waar wij ons voor Hem kunnen verbergen. We leven voor Hem. Hij is erbij. Dat is voor hen die tot Hem de toevlucht nemen een troost. Hij is hun Helper en Beschermer. Voor hen die niet leven van genade, is dit een aangrijpende werkelijkheid. Het geeft volgens Mastricht ‘schrik en ontzetting’. 

Vermaak

Wie lang teruggaat in de kerkgeschiedenis, vindt daar mooie omschrijvingen van hoe mensen deze alomtegenwoordigheid van God beschreven. Petrus van Mastricht citeert niet alleen Augustinus, maar ook Bernardus. Hij geeft aan dat God in Zichzelf onbegrijpelijk is. ‘Omdat Hij het begin en het einde is; het Begin zonder begin, het Einde zonder einde.’ 

Vervolgens werkt hij dit uit ten aanzien van alle levende wezens die voor God leven: 

  • In de engelen begeerlijk, omdat zij begerig zijn in Hem in te zien. 
  • In de heiligen vermakelijk, omdat zij, in Hem voortdurend gelukkig zich verblijden. 
  • In de schepselen wonderlijk, omdat Hij alle dingen met kracht schept, met wijsheid bestuurt en met goedertierenheid toebedeelt. 
  • In de mensen beminnelijk, omdat Hij hun God is en zij Zijn volk zijn. 

Lees verder over dit onderwerp

John Bunyan over God als Vader

‘Al wat de Vader mij geeft zal tot Mij komen’, zei Jezus. John Bunyan (1628-1688) legt uit wat we hiervan kunnen...