Beluister de podcast op   Logo Spotify podcast   Logo Itunes podcast

Beluister de podcast op   Logo Spotify podcast   Logo Itunes podcast

Luister de podcast

dinsdag 5 april

Ik wil dat waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn

In het hogepriesterlijk gebed in Johannes 17 bidt Jezus tot Zijn Vader. Hij bidt dat zij voor eeuwig bij Hem zijn, die de Vader Hem gaf. Waar dacht Jezus dus aan voor Hij Zijn kruisweg ging? Aan hen!

Luther

Luther preekte eind jaren ’20 van de zestiende eeuw over het hogepriesterlijk gebed, uit Johannes 17. Het is troostvol om te horen hoe Jezus bidt tot Zijn Vader, voor hen die Hij liefheeft. Hieronder volgt wat Luther preekte naar aanleiding van de woorden: ‘Vader, Ik wil, dat waar Ik ben ook zij bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt.’ Je hoort dat Luther in de uitleg kind van zijn tijd is, maar tegelijkertijd is het toch heel actueel. 

Gebed

‘Dat is het laatste, maar meest troostrijke gedeelte van dit gebed voor allen, die Christus aanhangen. Dat wij er vast van verzekerd zijn, wat wij ten slotte hopen, waar wij rust vinden en blijven zullen. Omdat wij hier in de wereld verstoten zijn en geen vast blijvende stad hebben. 

Want wij hebben gehoord, dat wie een christen is, van alle wereldse gunst, genade, zekerheid, gemak en rust moet afzien en een voetveeg van de duivel moet zijn. Dat hij onafgebroken in gevaar van lichaam en leden moet verkeren en alle uren de dood moet verwachten. 

Nu is de dood iets heel verschrikkelijks en afschuwelijks. Met name wanneer hij altijd voor ogen staat en de mens niet weet waarheen hij de volgende stap zal zetten; en de nacht zal doorbrengen. Daarom zorgt Christus voor ons als een liefdevolle en dierbare Heiland en Hij zegt ons toe, dat Hij voor ons een woning zal klaarmaken. Zodat wij bij Hem zullen zijn en het zo goed hebben als Hij het heeft bij Zijn Vader. 

Alsof Hij wilde zeggen: wees getroost en heb er maar geen zorg over waar je blijft of gaan zult. Laat de wereld maar razen en woeden, moorden en branden en u de wereld uitstoten. U zult goed verzorgd worden en daar aankomen, waar u verlangt te zijn en waar u boven de wereld en alle duivels veilig rusten en blijven kunt. 

Plaats

Waar mag dat dan nu zijn of hoe heet die plaats? Waar Ik ben, spreekt Hij, dat is in de schoot en armen van de Vader. Waarheen alle engelen moeten toesnellen en ons opnemen en dragen. Alleen het heeft geen naam en het laat zich niet met de vinger aanwijzen of uittekenen, maar het moet in het Woord door het geloof worden aanvaard. 

Daarom moeten wij deze tekst tot een kussen voor ons hoofd laten zijn en een donzen bed voor onze zielen. En met vrolijke harten daarop (rustend) heengaan, wanneer ons laatste uur is gekomen. Waarop wij, aan zonde en alle ongeluk, aan de wereld en de macht van de duivel ontrukt, geleid zullen worden tot de eeuwige rust en vreugde.

Eerder is reeds gezegd wie Christus bedoelt met deze woorden: die U mij gegeven hebt. Zij gelden namelijk ons en zijn ons tot troost gegeven. Als wij ons aan Zijn Woord houden en vastklemmen. Vooral in noden en aanvechtingen, als de wereld ons om dat Woord smaadt en vervolgt. Goederen, eer, lijf en leven afneemt. Dan moeten wij die belofte vrijmoedig aannemen en er niet aan twijfelen, dat Christus ons tot Zich in Zijn heerlijkheid opnemen wil. Ook al zijn we nog zondaren, zwak en gebrekkig. 

Want deze woorden zijn gezegd tot ons, die op aarde leven als mensen van vlees en bloed. Niet gezegd tot engelen in de hemel of de gestorven heiligen. En let in het bijzonder op het woord dat Hij spreekt: “Ik wil”. En dat Hij zo treffend spreekt tot de Vader, omdat Hij onvoorwaardelijk eist, dat de belofte zeker en vast is als van Hem, die niet liegen of bedriegen kan. Dat alles om ons, die zo lui en zwak zijn in het geloof, op te wekken. Dat wij niet twijfelen of wankelen, maar er zo verzekerd van zijn als zagen wij het voor onze ogen aanwezig.’ 

Leestip: Stemmen uit Wittenberg, dr. Maarten Luther en zijn tijdgenoten, Gereformeerde Bibliotheek Goudriaan, 1973. 

Luister deze blog als podcast

Lees verder over dit onderwerp

John Bunyan over God als Vader

‘Al wat de Vader mij geeft zal tot Mij komen’, zei Jezus. John Bunyan (1628-1688) legt uit wat we hiervan kunnen...